In de zomer van 2024 verscheen het boek ‘De vergeten commando’ van de hand van oud-journalist Peter Visser. Hierin geeft hij antwoord op de vraag waarom de Nederlandse korporaal Kokhuis tachtig jaar onder de radar bleef na operatie Market Garden. Tot dan toe werd algemeen aangenomen dat de destijds 19-jarige student Ben Bouman de enige Nederlander was die met roeibootjes de Waal bij Nijmegen was overgestoken, met de 82nd Airborne Division. Er is echter mogelijk nóg een Nederlander geweest die de oversteek heeft gemaakt, met het 504th Parachute Infantry Regiment van de 82nd Airborne Division ‘All American’. Dat zou de Nederlandse dienstplichtige commando korporaal Valentijn Kokhuis zijn geweest. Voor zijn optreden in en rond Nijmegen in september 1944 kreeg hij in 1951 het Bronzen Kruis toegekend. Na zijn militaire diensttijd werd hij (tot zijn pensioen) hoofdagent van politie en was hij ook een verdienstelijk voetbalkeeper. Dit artikel gaat over zijn militaire loopbaan tijdens de Tweede Wereldoorlog, als één van de allereerste Nederlandse commando’s, van No.2 (Dutch) Troop.
Valentijn Gerardus Kokhuis werd geboren op 21 december 1919 in de voormalige gemeente Sloten (tegenwoordig onderdeel van gemeente Amsterdam). Hij was de tweede zoon van Johannes Bernardus (Joop) Kokhuis en Anthonia (Toontje) Visser. Valentijn (Val) had een oudere broer, Bertus, een oudere zus, Katrien, en een jongere zus, Annie. Hij groeide op in de polder. Hij leerde al vroeg zwemmen omdat er veel sloten waren in en rond Sloten. Daarnaast leerde hij er paardrijden omdat er destijds veel met paarden werd gewerkt in de landbouw. Na de lagere school ging Val twee jaar naar de ambachtsschool om machinebankwerker te worden en na anderhalf jaar ging hij als leerling boorder aan de slag. Daarnaast volgde hij een cursus tot gymleraar. Buiten schooltijd werkte Val mee in de tuinderij van zijn vader. Hij voetbalde in die tijd ook bij AVV Sloterdijk. Daarnaast was hij lid van wielervereniging Olympia in Sloten. In 1938 won Val drie medailles met wielrennen, waarbij hij een wegwedstrijd won en bij twee wedstrijden derde werd.
Valentijn werd in februari 1938 medisch goed gekeurd voor militaire dienst, maar hij werd pas in eind 1939 opgeroepen voor militaire dienstplicht. Hij meldde zich op 18 december van dat jaar in Voorschoten en werd ingedeeld bij het 4e regiment Bereden Veldartillerie in Katwijk. In april 1940 werd onze jonge artillerist overgeplaatst naar het 20e regiment Artillerie van het Tweede Legerkorps. Dat regiment was onderdeel van het 41e regiment Infanterie van de Peeldivisie. Via Bakel kwam Val op 7 mei 1940 terecht in Oploo.
Toen op 10 mei 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen, bleek hoe slecht de wapens en uitrusting van Val’s artillerie eenheid waren. Zo zakte een stuk geschut bij het inschieten door de vermolmde houten wielen. ’s Avonds kregen de artilleristen van Valentijns regiment de opdracht zich terug te trekken met hun paarden en geschut. Nadat Val en zijn maten in enkele dagen via Breda en Antwerpen naar Heile waren getrokken, werden ze verrast door een bezoek van prins Bernard. Deze zou de Nederlandse soldaten hebben verteld, dat ze welkom waren in Engeland om daar een militaire organisatie op te zetten waarmee later weer de wapens konden worden opgenomen tegen de Duitse bezetter. Via enkele omzwervingen kwamen de artilleristen uiteindelijk in Cherbourg (Normandië) in het noordwesten van Frankrijk terecht, waarvandaan Val en zijn maten op 23 mei 1940 met het schip, de Lady of Mann, richting Engeland vertrokken.
Na aankomst in Southampton die middag, vertrokken de Nederlandse soldaten met de trein naar Haverfordwest in Zuidwest-Wales. Na twee weken, volgde nog een verplaatsing, naar Porthcawl/Dan-Y-Craig, waar een tentenkamp vlak aan zee was ingericht. Om verveling tegen te gaan en het moreel wat op te krikken, was door de leiding besloten dat er veel aan sport werd gedaan. Dagelijks stond gymnastiek, voetbal en atletiek op het programma. Val bleek een goede voetbalkeeper te zijn, maar was ook goed in duursporten. Ondertussen had de groep Nederlandse militairen de naam ‘Detachement Koninklijke Nederlandse troepen in Groot-Brittannië’ gekregen. De mannen werden voorzien van uniformen en wapens en kregen bewakingsopdrachten toegewezen. Val werd in eind juni, met honderd anderen, ondergebracht bij de Royal Air Force, ter bewaking van het vliegveld nabij Cardiff. In de herfst van 1940, werd de Nederlandse eenheid weer verplaatst, naar Congleton, vlakbij Manchester. Daar werden de dagen wederom gevuld met trainingen, exercities, marsen en daarnaast veel sporten. Echter, de Nederlandse soldaten waren nog verre van inzetbaar tegen de Duitsers. Daarvoor moest eerst meer discipline worden bijgebracht bij de dienstplichtige Nederlanders.
Op 11 januari 1941 werd de Koninklijke Nederlandse Brigade officieel opgericht in Congleton. Begin juli 1941 werd de brigade gelegerd in opleidingskamp Wrottesley, enkele kilometers ten westen van Wolverhampton. Op 27 augustus van dat jaar reikte Koningin Wilhelmina aan de brigade haar eigen vaandel uit en sindsdien droeg de eenheid de naam Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene. Ondertussen maakte Val Kokhuis, als keeper, deel uit van het Nederlands militair voetbalelftal dat in de loop van 1940 was opgericht. Val trainde mee bij de profclubs van Cardiff City en Swansea Town om zich te verbeteren. Desondanks zat hij vaak op de reservebank omdat er een meer ervaren keeper voor handen was.
Kortom, 1941 stond voor Val hoofdzakelijk in het teken van militaire trainingen, exercities, marsen en veel sporten, vooral voetbal. Daarnaast was er tijd om uit te gaan, lol te trappen en bier te drinken. Men zou bijna vergeten dat er op het Europese vastenland een oorlog woedde. De soldaten moesten daarom naar een hoger niveau worden getild. Ze moesten worden getraind hoe zich te manifesteren onder levensgevaarlijke (gevechts-)omstandigheden.
Val verliet in begin 1942, met nog een 47 andere Nederlanders, de brigade voor een speciale training in Achnacarry, in de Schotse hooglanden, waar zich het Commando Basic Training Centre bevond. Hier kregen de mannen, onder leiding van Britse commando’s, hun vooropleiding, die destijds de Special Services training (afgekort de SS training) heette. Die afkorting zou overigens na enige tijd niet meer worden gebruikt omdat deze ook door de Duitsers werd gebruikt voor hun bedenkelijke/beruchte elitetroepen.
Tijdens de training leerden de mannen onder meer om amfibische landingen uit te voeren op het vastenland van Europa. Op 22 maart 1942 werd Val met nog enkele andere Nederlanders, toegevoegd aan No.4 Commando. Ze zouden een commando-raid op de Nederlandse kust, ter hoogte van Noordwijk, gaan uitvoeren. Echter, vlak voordat ze de kust bereikten werd de raid afgeblazen, omdat duidelijk was geworden dat de plannen van de actie waren uitgelekt.
Val keerde daarna terug naar Achnacarry om de opleiding tot commando te gaan volgen. Het loodzware programma leidde tot veel uitvallers die onverbiddelijk werden teruggestuurd naar hun oorspronkelijke onderdeel. Na zes weken van afzien, door de immens zware training, kregen de doorzetters die het volledige programma hadden voltooid, de felbegeerde groene baret met het commandobrevet. Van de eerste lichting van 48 Nederlanders voltooiden slechts 25 man de opleiding. Na de commando-opleiding volgde Val een Physical Training (PT) cursus waarmee hij gediplomeerd militair sportinstructeur werd.
Eind juni ’42 verplaatsten de allereerste Nederlandse commando’s zich naar Troon, in Schotland, waar No.2 (Dutch) Troop werd opgericht als onderdeel van No.10 (Inter Allied) Commando. Kort daarna ging de eenheid naar Porthmadog in Noord-Wales waar ze langere tijd zouden verblijven. De commando’s werden ingekwartierd bij burgers, enerzijds uit veiligheid, anderzijds zodat ze beter in staat waren om de ontwikkelingen van de Tweede Wereldoorlog te volgen. Val werd op 15 augustus 1942 bevorderd tot dienstplichtig korporaal. De commando’s organiseerden in Porthmadog een eigen ontmoetingslocatie, de Prins Willem Club. Ook namen de commando’s deel aan sociale gelegenheden, zoals de wekelijkse dansavonden op zaterdag, waar lokale schonen werden ontmoet. Diverse Nederlandse militairen troffen in deze periode hun Engelse geliefde, ook Val, die op 27 september 1943 huwde met Kathleen (Kay) Pettitt. Zijn getuige was zijn Amsterdamse buddy, Jack van Rosendael.
Jack was vanuit de Verenigde Staten via de Prinses Irene Brigade eveneens bij No. 2 (Dutch) Troop terecht gekomen. Hij zou in maart 1945 sneuvelen in Princenhage, ten westen van Breda, als gevolg van een vliegende bom.
Op 31 mei 1943 werd No.2 (Dutch) Troop verplaatst naar Eastbourne, de Engelse badplaats, die voor geheel No.10 (Inter Allied) Commando tot het einde van de oorlog de thuisbasis zou blijven. Na eindeloze geruchten over hun volgende inzet (naar de Balkan of Sicilië?), met ondertussen een zwaar trainingsprogramma, zoals een bergtraining in Noord-Schotland, werd No.2 (Dutch) Troop uiteindelijk aangewezen om samen met een Britse commando-eenheid, de 3rd Special Service Brigade, te verschepen naar Brits-Indië. Half december 1943 vertrok het schip de Strathaird vanuit Gourock (Schotland) voor een vijf weken durende zeereis naar Bombay (Mumbai). Aan boord werd de tijd gevuld met taalles in het Maleis, naast fysieke training.
Na aankomst in India volgde een treinreis naar Kedgaon, waar de commando’s werden gelegerd in een tentenkamp. Ondertussen was de planning voor de inzet veranderd en verviel een voorgenomen raid op de kust van Sumatra. Die landingsoperatie kon door het gebrek aan voldoende schepen niet doorgaan. Na veel getouwtrek werd uiteindelijk besloten dat vijf Nederlandse commando’s mochten deelnemen aan een Britse actie in Birma. Een loting moest bepalen wie de ‘gelukkigen’ zouden worden, want hieraan wilde iedereen meedoen. Tot zijn spijt behoorde Val niet tot de vijf ‘uitverkorenen’ en moest hij met de achterblijvers een acht weken durende jungletraining gaan volgen. Daarna volgde een verplaatsing naar Cocanada aan de Indiase oostkust. Los van de vele, vaak monotone, trainingen, werden de commando’s geplaagd door tropische ziektes zoals malaria en dysenterie. Mede hierdoor, maar ook door de besluiteloosheid van de hogere geallieerde legerleiding en het gebrek aan actie, werd het verblijf in Brits-Indië grotendeels als teleurstellend ervaren door de mannen. Daarnaast miste No.2 (Dutch) Troop ook nog eens D-Day op 6 juni 1944 wat tot de teleurstelling verder vergrootte.
Half juli 1944 vertrok Val, met zijn maten, aan boord van stoomschip Alcantara, vanuit Bombay om terug te varen naar Liverpool. Na een maand, kwamen ze daar aan en werden ze ontvangen door Prins Bernard die hen vertelde dat ze nodig waren voor inzet in Nederland. No.2 (Dutch) Troop reisde vervolgens door naar Eastbourne waar de mannen twee weken met verlof werden gestuurd. Vervolgens werd duidelijk dat de Nederlandse commando’s werden verdeeld over de drie luchtlandingsdivisies ten behoeve van operatie Market Garden. Korporaal Val Kokhuis werd toegewezen aan het 504th Parachute Infantry Regiment (PIR) van de 82nd Airborne Division ‘All American’.
Tijdens operatie Market Garden landde de Amerikaanse 82nd Airborne Division bij Nijmegen met onder andere de opdracht tot het veroveren van een aantal bruggen in en rond Nijmegen. Twee van de belangrijkste bruggen waren de spoorbrug en verkeersbrug over de rivier de Waal. Het 504th Parachute Infantry Regiment had de opdracht de bruggen over de Maas bij Grave, en die over het Maas-Waal kanaal intact te veroveren.
Op 18 september 1944, om 10.00 uur, (een dag te laat door mist) vertrok de glider (type Waco CG-4A), met Val vanaf Cottesmore Airfield bij Leicester. In de buurt van Dropzone O, tussen Nederasselt en Overasselt, maakte de glider bijna een crashlanding, maar iedereen overleefde het. Val zou, naar eigen zeggen, bij het verlaten van de glider meteen onder vuur zijn genomen en met zijn Tommy gun het vuur hebben beantwoord, waarbij een Duitser werd getroffen. Daarna vertrok Val met een jeep met een trailer, uit een andere glider, richting Overasselt, waar hij zich meldde bij Lieutenant Colonel Warren R. Williams Jr. (de XO van 504th Parachute Infantry Regiment). Naar eigen zeggen, zou Val ten dienste staan van Lieutenant Colonel Williams. Laatstgenoemde had Val vervolgens toegewezen aan het 3rd Battalion van 504th PIR, als tolk en gids. Daarna arresteerde Val op 19 september 1944, naar eigen zeggen, de burgemeester van Wijchen. Dit verklaarde hij in 1949 aan de Commissie Militaire Onderscheidingen. Die verklaring bleek naderhand deels niet te kloppen, want het betrof de burgemeester van Bergharen, genaamd Hendrik Vooijs, een NSB-er, die werd opgepakt. De heer Terwisscha van Scheltinga was de hele periode van 1939 tot 1949 de burgermeester van Wijchen.
Op 20 september 1944 begon om 15.00 uur, de befaamde oversteek met bootjes over de Waal plaats ten westen van de spoorbrug bij Nijmegen. De oversteek werd geleid door toenmalig Major Julian A. Cook, de commandant van het 3rd Battalion van het 504th Parachute Infantry Regiment van de 82nd Airborne Division. In de eerste golf maakten de compagnieën H en I en de bataljonsstaf, onder moordend vuur, de rivieroversteek in gammele bootjes waarbij grote verliezen werden geleden. Van de 26 bootjes bereikten er 11 de overkant.
Korporaal Val Kokhuis nam zeer waarschijnlijk deel aan het gevecht tijdens de oversteek bij Nijmegen. De verklaring van Valentijn voor de Commissie Militaire Onderscheidingen is de onderbouwing geweest voor de toekenning van het Bronzen Kruis aan hem. Het daarbij behorende Koninklijk Besluit nr. 29 van 12 mei 1951, plaatst Val op 20 september 1944 bij de oversteek, zoals blijkt uit de volgende tekst van het KB: “[…] Vervolgens door aan deze Divisie tot eind oktober 1944 goede diensten te bewijzen o.a. door deel te nemen aan het gevecht tijdens de overtocht over de Waal bij Nijmegen. […]” Echter, het is thans niet met zekerheid vast te stellen dat hij zelf in de bootjes naar de overkant is overgestoken.
Na de oversteek op 20 september 1944, bleef Val nog drie weken actief in en rond Nijmegen. Op 23 september werd 504th PIR teruggetrokken naar de omgeving van Berg en Dal om aldaar de oostflank van Nijmegen te verdedigen. In de daaropvolgende periode van meer dan twee weken zou Val, naar eigen zeggen, nog diverse keren ’s nachts met troepen van 504 patrouilles uitvoeren, “tot aan Cleve toe”. Op 10 oktober 1944 nam hij afscheid van 504th PIR. Hij kreeg van Colonel Reuben H. Tucker, de commandant van het regiment, een mooie aanbevelingsbrief mee (een commendation letter) gericht aan de commanderend officier van No.2 (Dutch) Troop met de volgende tekst:
“Corporal V.G. KOKHUIS was attached to the 504 Parachute Infantry one day after the regiment jumped near Grave, Holland, on 17 September 1944.
Corporal KOKHUIS proved to be an efficient and versatile soldier of excellent character who displayed unusual ability in locating and dealing with Nazi collaborators and assisting the 504 Parachute Infantry as well as the Allied Cause in numerous other ways.
He was always willing and eager to assist in any possible way regardless of the amount of work or hazards it entailed.
His unstinting devotion to duty and his tireless efforts were a credit to the Dutch people and to the unit he represents.”
Kortom, Valentijn Kokhuis heeft zich zeer verdienstelijk ingezet in de strijd rond Nijmegen tijdens de operatie Market Garden, zoals de aanbevelingsbrief van Colonel Tucker aangeeft. Ondanks dat het onzeker is of hij zelf in de bootjes de rivieroversteek heeft gemaakt, is het zeer waarschijnlijk dat hij heeft meegedaan aan het gevecht tijdens de oversteek, zoals ook in het Koninklijk Besluit werd geschreven.
Op 11 oktober meldden de commando’s van No.2 (Dutch) Troop, die terugkeerden van de verschillende luchtlandingseenheden van operatie Market Garden, zich bij hun commandant Jan Linzel in Eindhoven. Deze legde hen de keuze voor tussen een rustpauze of een nieuwe actie. De commando’s kozen voor de laatste optie en gingen naar Brugge om zich vervolgens voor te bereiden voor hun deelname aan de slag om de Schelde. Val en zijn maten leverden hun Amerikaanse plunje in voor een Britse, want ze zouden deel gaan uitmaken van de commandogroepen van de Royal Navy.
Operatie Infatuate, vormde het sluitstuk van de strijd om de Schelde. Naast een landoperatie via Zuid-Beveland en de Sloedam, werd door middel van Operatie Infatuate I en Operatie Infatuate II, een amfibische landing ondernomen bij respectievelijk Vlissingen en Westkapelle. Aan de amfibische landing bij Westkapelle, Operatie Infatuate II nam een vloot van maar liefst 123 schepen deel. No.4 Special Service Brigade zou bij Westkapelle de landoperatie op zich nemen. Een detachement van No.2 (Dutch) Troop, met onder andere korporaal Val Kokhuis, werd ingedeeld bij No.47 (Royal Marine) Commando voor de aanval op Westkapelle. Op 31 oktober vertrokken de geallieerde commando-eenheden, met Val, naar Oostende om van daaruit naar Nederland te varen.
Op woensdag 1 november 1944 landde Val onder zwaar vijandelijk vuur op de kust van Walcheren, bij Westkapelle. Op 3 november raakte hij tijdens een mortierbeschieting gewond aan zijn rechterdijbeen en -bovenarm waar hij werd getroffen door granaatscherven. Hij was op dat moment betrokken bij de bestorming van het laatste Duitse weerstandsnest van de Marineküstenbatterie in Dishoek, die van de geallieerden de code Whiskey 11 had gekregen. Nadat de commando’s Whiskey 11 in hadden genomen, was daarmee de kuststrook in handen van de geallieerden en kon daarna heel Walcheren van vijandelijke troepen worden gezuiverd.
Daarna werd Kokhuis afgevoerd en keerde hij terug naar Eastbourne. Hij kon daar revalideren en goed herstellen van zijn verwondingen, hoewel niet alle granaatsplinters uit zijn bovenbeen konden worden verwijderd. Op 7 april 1945 werd Val bevorderd tot sergeant. Op 26 april 1945 verlieten 90 commando’s Eastbourne om via Oostende, naar Roosendaal te reizen en daarna naar Made. Er werden patrouilles uitgevoerd tussen Moerdijk en Geertruidenberg. Na de bevrijding verbleef Val enige tijd in de omgeving van Winterswijk, waar hij weer als keeper deelnam aan een voetbalwedstrijd tussen Nederlandse commando’s en de tweedeklasser WVC uit Winterswijk.
Op 28 juni 1945 namen de commando’s deel aan de geallieerde overwinningsparade in Amsterdam. Val werd daarna warm onthaald bij zijn thuiskomst in Sloterdijk, waar zijn ouders tijdens de oorlog naartoe waren verhuisd. Vervolgens kreeg No.2 (Dutch) Troop haar laatste militaire opdracht namelijk het bewaken van krijgsgevangenen in Recklinghausen in het Duitse Ruhrgebied. Op 7 augustus 1945 keerde No.2 (Dutch) Troop voor de laatste keer terug naar Engeland om daarna definitief terug te keren naar Nederland. In oktober 1945 werd de eenheid opgeheven. Tegelijkertijd werd het 6e Koninklijke Nederlands Instructie Depot opgericht dat bekend zou worden als ‘Stormschool Bloemendaal’. Val ging hier aan de slag als instructeur om oorlogsvrijwilligers en beroepsmilitairen op te leiden voor hun inzet in Indonesië. Hier werd een harde gevechtstraining naar Schots model opgezet. De Stormschool zou in april 1949 verhuizen naar de Engelbrecht van Nassaukazerne in Roosendaal. In 1950 zou de Stormschool worden omgevormd naar het Korps Commandotroepen.
Val verhuisde vanwege zijn aanstelling als instructeur van Sloterdijk naar Bloemendaal, waar hij met zijn vrouw Kathleen en dochter Monica(1945) ging wonen. Ze zouden daarna nog drie zonen krijgen, Michael (1947), Christopher (1954) en Peter (1957). Op 1 maart 1947, stapte Val over van defensie naar de gemeentepolitie van Haarlem. Daar werd hij hoofdagent met de functie van sport-, wapen- en schietinstructeur. Bij Koninklijk Besluit nr. 29 werd hem op 12 mei 1951 het Bronzen Kruis toegekend. Op 3 maart 1952 kreeg Valentijn dit Bronzen Kruis uitgereikt en werden hem de bijbehorende versierselen opgespeld door Zijne Koninklijke Hoogheid prins Bernhard.
Val zou tot zijn pensioen in 1979 politieagent blijven en was een van de initiatiefnemers van de oprichting van een speciale brigade, de voorloper van de Mobiele Eenheid. Naast zijn politieloopbaan bleef Val als doelman enige jaren actief voor HFC Haarlem. Hij zou onder meer spelen tegen vermaarde voetballers als Faas Wilkes en Rinus Michels.
Half jaren ’90 begon zijn gezondheid hem in de steek te laten. Hij werd langzamerhand minder mobiel en zijn laatste levensjaren leed hij geestelijk en fysiek aan de gevolgen van de ziekte van Alzheimer. Op 21 maart 2005 stierf Valentijn Gerardus Kokhuis op 85-jarige leeftijd in Haarlem. Enkele dagen later werd hij gecremeerd.
Val kreeg de volgende onderscheidingen uitgereikt voor zijn optreden in militaire dienst:
Vanuit het buitenland werden Val de volgende onderscheidingen toegekend:
Valentijn Gerardus Kokhuis, Val, was een zeer veelzijdig man en, wat hij na de oorlog vaak met graagte onderstreepte: “een Nederlandse commando van het eerste uur”.
Dit artikel heeft zich beperkt tot de veelbewogen periode van Valentijn Kokhuis toen hij in militaire dienst was en vooral zijn commandotijd. Voor meer informatie over zijn persoonlijke leven voor en vooral na zijn dienstperiode wordt graag verwezen naar het boek ‘De vergeten commando’ van schrijver en oud-journalist Peter Visser. Hierin wordt ook een uitgebreide reconstructie weergegeven van Vals belevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog zoals onder meer van de chaotische meidagen van 1940, van de jaren 1940-1941 bij de Prinses Irene Brigade, van de commando-opleiding, van zijn tijd in India en van operatie Infatuate. Tevens vindt u in dit boek meer details over zijn sportieve carrière voor, tijdens en vooral na zijn militaire periode. Ook zijn politietijd komt aan bod.