Zoals bij elke natie bestaat een deel van de identiteit uit de gemeenschappelijke geschiedenis. Hoe daar mee om wordt gegaan kan per generatie verschillen. Monumenten zijn een uitdrukking van de tijdsgeest, gebouwd om historische gebeurtenissen te herdenken, als symbool van het verleden en de nationale identiteit.
In het huidige Duitsland is het over het algemeen niet opportuun stil te staan bij allerlei militaire acties, personen en gedenktekens. Zulke heldenverering past niet meer in de 21e eeuw. Liever is men pacifistisch en gedenkt men de slachtoffers van vervolging en geweld. Niet helemaal onbegrijpelijk met de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in gedachten. Zes decennia daarvoor was dat heel anders. Sterven voor het vaderland was weliswaar tragisch, maar ook eervol. Logisch dus ook dat er veel monumenten werden geplaatst ter ere van gewonnen veldslagen, zegevierende militaire leiders en gesneuvelde soldaten. Eėn zo’n monument was het Tannenbergmonument.
In het boek "Het bouwen in het Derde Rijk", geschreven door G.Troost en uitgegeven door Uitgeverij Westland in 1943, lezen we het volgende over het Tannenbergmonument. Het geeft uitstekend de tijdsgeest weer.
Een volk, dat zich als eenheid voelt, eert het aandenken van hen, die voor deze gemeenschap vielen. In de na-oorlogse jaren werden, in den geest van het frontsoldatendom, door den ‘Volksbund voor de verzorging van Duitsche oorlogsgraven uit den wereldoorlog’, als een uitbreiding van de zorg voor de soldatengraven uit den wereldoorlog, eeregedenktekenen opgericht, die den eerbied der geheele volksgemeenschap moesten uitdrukken voor het offer van hen die vielen. Het gedenkteeken van Tannenberg, dat de Führer tot Rijkseergedenkteeken heeft verklaard, bewijst, hoe in een bijzonder volks getypeerd landschap als Oost-Pruisen zulk een gemeenschapsbouw werkelijkheid kan worden. Maar het bewijst tevens, dat eerst door de nationaal-socialistische levensbeschouwing de voorwaarden voor een waarlijk grootsche, monumentale uitvoering van zulke gedenkteekenen geschapen konden worden. Bij het gedenkteeken van Tannenberg was het vroeger onvermijdelijk dat de rumoerigheid van het daagsche leven en de allesbehalve wijdingsvolle uitwassen van het vreemdelingenverkeer zich zelfs tot onder zijn muren en torens opdrongen. In het nieuwe Duitschland kreeg de groote Doodenburcht een waardig aanzien. Ver in het rond werd het landschap opengelegd en het gedenkteeken zelf kwam hooger te liggen. Aan den voet van de heuvel strekt zich een meer uit en daarom heen liggen weiden en bosschen met het in Oost-Pruisen zo karakteristieke onderhout. Naar het slagveld van den wereldoorlog toe ligt het bosch vrij en tegen den achtergrond teekenen zich de hoogteketens af, waarom toen zoo heet gestreden werd. Nu kan geen rumoer de rust der dooden meer storen. In gewijde stilte en eenzaamheid staat daar nu de Doodenburcht in het wijde oostelijke landschap, waar de groote veldmaarschalk ligt te midden van zijn soldaten.
Het monument was opgericht naar aanleiding van een veldslag in 1914. De Russische en Duitse legers stonden tegenover elkaar in een slag die vijf dagen zou duren en zou eindigen in een geweldige Duitse overwinning. Er werden 92.000 Russische soldaten gevangen genomen, en 50.000 raakten gewond of sneuvelden.
Maar om te beginnen moeten we weten wat Oost-Pruisen precies was. Wie dat nu op de landkaart zoekt zal het niet kunnen vinden. Belangrijk om te weten, is dat de Europese grenzen nog al eens wijzigden in de 20e eeuw. Het Duitsland van 1871 tot 1918, ook wel het Kaiserreich genoemd, was een monarchie die zich westelijk uitstrekte langs ongeveer dezelfde grenzen die we nu kennen, maar oostelijk, richting Rusland, veel groter was. Het toenmalige Schlesien (Silezië), Posen, Oost,- en West-Pruisen bevinden zich tegenwoordig op Pools en Russisch grondgebied. Na de verloren Eerste Wereldoorlog werd een groot gedeelte van deze gebieden aan Polen toegekend, in totaal verloor Duitsland meer dan 70.000 km², oftewel 1/8 van de totale oppervlakte.
Oost-Pruisen bleef bestaan als Duitse provincie in de vorm van een klein gebied aan de Oostzee, gescheiden door Pools grondgebied. Dat zou in de jaren dertig nog veel discussie opleveren omdat Duitsland dit verlies niet wenste te accepteren, mede door de aldaar nog aanwezige Duitse bevolking. Dit resulteerde in de Duitse ‘terugverovering’ in 1939 en aansluitende wereldoorlog. Na 1945 is het gebied definitief bij Polen gaan horen. De bevolking is merendeels Pools, alleen aan de gebouwen kan men soms nog de Duitse oorsprong herkennen. Discussie eindelijk gesloten, zou men denken, maar toch laait deze tussen Polen en Duitsland af en toe weer op. In 2004 bijvoorbeeld, toen een aantal Duitsers schadevergoeding verlangden voor hun onteigende eigendommen in de voormalige Duitse provincies. Of, een discussie die nog steeds loopt, over de 12 tot 18 miljoen verdreven Duitse burgers.
Het gebied waar de veldslag plaatsvond en waar het monument zich bevond, ligt in het tegenwoordige Polen. Deze staat was na 1945 in het noorden groter geworden door Duits gebied te annexeren, maar moest oostelijk een groter gedeelte afstaan aan Rusland. Netto was Polen 20 % kleiner geworden, en min of meer weer bezet door het communistische Rusland. Toch opvallend, gezien het feit dat de Tweede Wereldoorlog in 1939 officieel begon omdat Polen werd aangevallen door Duitsland en Rusland. De Poolse bevolking kon pas in 1989 genieten van de vrijheid die andere landen als sinds 1945 genoten.
Het Ehrenmal Tannenberg bestond uit een achthoek met op de hoeken 20 meter hoge torens. Vanaf de torens had men zicht op het slagveld. Deze waren verbonden met muren, die een binnenplaats omringde. In het midden daarvan stond een groot kruis met twintig graven van onbekende soldaten. Gedenktafels waren gewijd aan de eenheden die tot het succes van de overwinning hadden bijgedragen. Na drie jaar bouwen werd op 18 september 1927 het monument door de rijkspresident van de Weimar republiek, Paul von Hindenburg, ingewijd. Na zijn overlijden in 1934 zou het ook zijn mausoleum worden. Op bevel van Adolf Hitler werd hij in 1935 samen met zijn in 1921 overleden vrouw in het daartoe verbouwde complex bijgezet. Een passende locatie; Hindenburg was geboren in Pruisen en had met de overwinning bij Tannenberg de status van bevrijder van Pruisen gekregen. Toch was dat niet volgens Hindenburgs testament, hij wilde een dienst in de Garnisonskirche te Postdam en een graf op het landgoed Neudeck, waar hij geboren was.
Het complex werd al snel een toeristische attractie, getuige de vele kiekjes in de foto albums van Duitse soldaten. De foto’s bij dit artikel komen daar ook uit. Nadat Hindenburg was gestorven kon Hitler zijn gang gaan. Het laatste obstakel naar een totalitair regime was door natuurlijk verloop opgeruimd. Hindenburg werd geëerd op munten en postzegels, terwijl de tentakels van het Derde Rijk zich steeds verder uitstrekten in de samenleving. De brief met Hindenburg postzegel erop kon nu onderworpen worden aan een kritische keuring die de schrijver kon doen belanden in de gevangenis of concentratiekamp, terwijl de Reichsmark met Hindenburgs beeltenis werd gebruikt voor het aanschaffen van wapentuig om een nieuwe oorlog voor te bereiden. Nog dezelfde dag legde de Wehrmacht de eed af op Adolf Hitler, de nieuwe rijkspresident en rijkskanselier ineen. Wat voorheen twee personen en functies waren, werd één nieuwe Führer met onbeperkte macht.
In april 1945 bereikte het Russische leger Pruisen, een stroom vluchtelingen voor zich uit drijvend. De beide kisten van Hindenburg en zijn vrouw werden op tijd overgebracht naar Duitsland om later in de Elisabethkirche in Marburg bijgezet te worden. Daar rustten beiden nog steeds. De overige voorwerpen uit het monument, zoals vaandels, werden ook meegenomen maar zijn nog steeds zoek.
Toen het complex leeg was werden de torens van het monument opgeblazen door de terugtrekkende Wehrmacht. Er was niet genoeg springstof om het hele complex op te blazen, zoals Hitler bevolen had. Toen het strijdgewoel was verstomd, de Duitsers verdreven en de grenzen waren bepaald, vonden de Polen een gehavend monument op hun grondgebied. Zij zaten niet te wachten op een symbool van de gehate Duitsers, zodat in 1948 de restanten werden afgebroken. Het bouwmateriaal kwam uitstekend van pas in deze tijd van schaarste en werd gebruikt voor enkele gebouwen in Warschau.
Tot in de jaren zestig waren de ruïnes duidelijk herkenbaar. Tegenwoordig is het terrein een natuurgebied, met hier en daar wat stenen fundaties verborgen onder het gras. Het stadje vlakbij heet Olsztynek, het vroegere Hohenstein. De naam Tannenberg vervult in de huidige Poolse geschiedenis een hele andere rol. In de middeleeuwen, 1410 om precies te zijn, vond hier een veldslag plaats tussen de Duitse ridderorde en de Poolse koning, gesteund door de hertog van Litouwen. De laatstgenoemden wonnen de strijd, waarna een periode van bloei aanbrak voor het Pools-Litouwse rijk. Elk jaar wordt de slag herdacht, of misschien is gevierd een betere benaming, met ridderspelen en festiviteiten.