Donkere wolken pakken samen

    Inleiding

    Bij het opruimen van oude stukken kwam ik een kopie van een handgeschreven verslag van mijn grootmoeder over de Tweede Wereldoorlog tegen. Ik vond dit zo interessant dat ik besloot het uit te typen en te delen met familieleden. Het gaat om een beschrijving van wat mijn grootmoeder (woonachtig in Waspik) hierover aan haar kinderen wilde meegeven.[1]

    Het verhaal is op schrift gesteld door oma Leentje Elisabeth van Baalen, die op 30 juni 1921 in Monster getrouwd was met Jan Dubbelman. Hij was heel veel jaren het hoofd van de "School voor Chr. Volksonderwijs" in Waspik. Een kleine protestants christelijke school in het katholieke Waspik. Er werd lesgegeven aan meerdere klassen per lokaal. Opa was geboren in Lage Zwaluwe. Oma en opa kregen vijf kinderen. Te weten: Ingetje Dubbelman, de moeder van Jan Peter Jalink en diegene die tijdens de oorlog intern was in Zetten, Dirkje Dubbelman, Pieter Dubbelman, degene die moest onderduiken, Josina Dirkje Dubbelman en Joost Jan Dubbelman.[2]

    Aldus Jan Peter Jalink van wie wij het hierna volgende verhaal ontvingen:


    Mijn opa en oma Dubbelman met hun vijf kinderen op hun 25-jarige huwelijksfeest in 1946. Staand vlnr. Jo, Inge en Dit, zittend opa, Joost, Piet en oma Bron: Jan Peter Jalink

    Het huis aan het Vaartje 6 in Waspik. Dit was het huis bestemd voor het hoofd van de school. De tuin grensde aan het schoolplein. Bron: Jan Peter Jalink

    Vlak voor de oorlog

    Het was in de zomer van 1939, wij waren met het hele gezin in 's-Gravenzande aan het logeren. 's Morgens kwam tante Christien boven (het was 5 augustus) en zei: "Er is een prinses geboren." Nu had ik al oranjelinten meegenomen en bond daar de gordijnen mee op. Het was overal feest in het land. Wij zijn 's middags nog naar Amsterdam gegaan en 's avonds hebben wij in Den Haag gegeten. Andere jaren bleven wij altijd de hele maand augustus in 's-Gravenzande, maar nu hadden wij besloten ook een week naar oma Dubbelman te gaan.

    Na een paar dagen in Waspik geweest te zijn, gingen wij op de fiets, Jo en Joost achterop, naar Lage Zwaluwe. Maar de logeerpartij viel in het water. Na een paar dagen brak de algehele mobilisatie uit en gingen wij gauw naar huis. Onderweg was het erg druk omdat de boeren hun paarden moesten inleveren. Wij lagen in bed toen wij in de verte zwaar gerij hoorden aankomen. Gauw uit bed om te kijken wat dat was. Het waren onze soldaten, die voorbij trokken met zwaar geschut bij zich. 'k Werd er koud van en dacht daar gaan onze jongens, als er maar geen oorlog komt.

    Wat je ook zag waren de eerste zegeltjes voor de sigaretten of sigaren. In het voorjaar van 1940 werd de toestand steeds slechter. Telkens las je in de krant, dat er lichtkogels werden afgeschoten en ze konden er maar niet achter komen wie dat deden. Pinksteren naderde, nu zou tante Antje Wilzing naar het noorden gaan om haar familie te bezoeken en dan zou Albert, die 1 jaar was, bij ons komen. Verder hadden wij al bericht dat Fie van tante Ger kwam logeren.

    De uitbraak van de oorlog

    Donderdag 9 mei waren wij klaargekomen met de schoonmaak. Greet Dekkers had mij geholpen. Ook had ze de was nog gedaan en die lag gestreken en wel in de kast. Ze zei: "Nu mevrouw, u kan van de week maar breien, want veel werk is er niet." 'k Was moe toen ik in bed stapte en sliep vast. Maar toch niet zo vast want ik werd wakker van de vliegtuigen in de lucht. Na een paar maal uit bed te zijn geweest om te kijken wat het was, dacht ik 'vliegen maar, ik ga slapen'. Weer wat later werden er steentjes tegen het raam gegooid. Dat deden buurvrouw Broekman en Eugenie. En die zeiden: "Het is oorlog, de Duitsers zijn ons land binnengevallen." Vlug naar de kinderen om het te vertellen. Bij de jongens die op een kamer sliepen, zei ik: "Piet, het is oorlog." Inge was niet thuis omdat ze in Zetten op de Kweekschool was. En dan al die geruchten die je hoorde.

    Eerste Pinksterdag vluchten onze soldaten al met allerlei voertuigen, telkens dekking zoekend tegen de huizen aan. Ze werden beschoten uit vliegtuigen. Een paar auto's beladen met papieren van de Philipsfabrieken hielden stil voor ons huis, ze durfden niet verder. Wij waren wel blij dat ze weggingen omdat er zoveel Duitsers in de lucht waren. Na een minuut of vijf werden er bommen gegooid en het bleek, dat die auto's geraakt waren en de papieren, die ze in veiligheid wilden brengen, lagen her en der verspreid bij de Keizersveersebrug.

    Tweede Pinksterdag, de kinderen mogen niet meer buiten komen want de Duitsers waren in aantocht. Onze buurman, bakker Broekmans, vroeg of wij bij hen kwamen. 's Morgens hadden we al met de buren in een buitenschuilkelder gezeten. En daar kwamen de Duitsers met het geweer in de aanslag. In de verte hoorden wij schieten en zijn toen naar de buren gegaan. Er lagen bedden op de grond waar Jo en Joost op konden liggen. Opeens een geweldige klap, wij sprongen op en wat bleek later, ze hadden de brug van Keizersveer laten springen. 's Maandags weer naar huis. Vader droeg Joost en die zei: "Er staan allemaal kleine balletjes aan de lucht." Dat had hij nog nooit gezien al was hij al vijf jaar. Ook was er al een inwoner van Waspik-Boven doodgeschoten. Wij zaten in de tuin, het was prachtig weer. Er kwamen heel veel vliegtuigen voorbij en later bleek dat ze bommen afgeworpen hadden in Rotterdam. De binnenstad werd verwoest. Daarna hoorden wij dat Nederland gecapituleerd had, wat wij eerst niet geloofden.

    Al gauw kregen wij een persoonsbewijs met vingerafdruk. Daarna kwamen de bonnen voor levensmiddelen. Weer later bonnen voor kleding. In september 1940 kregen we inkwartiering van een Duitse soldaat, Paul Jaron. Negen maanden later (mei 1941) vertrok hij naar Rusland.
    De toestand werd steeds slechter. Er was weinig brandstof, brood en vet. De zwarte handel tierde welig. Als je wat te ruilen had, ging het nog wel, maar wij hadden geen ruilmateriaal. Onze grasmachine hebben wij verruild voor een oude soldatenbroek, overhemd en schoenen. De broek voor Piet geverfd, maar hij kon hem niet dragen, de pijpen waren te kort. Later een pakje voor Joost uit gemaakt. Piet was juist in z'n groei. Van lakens die ik verfde, overhemden gemaakt. Piet ging in Dordt op school en het kwam zo ver dat hij nog maar een hele zwarte en bruine schoen aanhad. Zover was het al gekomen.
    Eind '42 kwamen mijn ouders bij ons, die moesten evacueren. Vanaf 1940 moesten al de ramen verduisterd zijn, er mocht geen spiertje licht doorkomen.

    1944

    6 juni 1944 landen de Engelsen in NormandiŽ.[3]

    4 september 1944, Marie Kerst was jarig en daar kwamen wij vandaan, was de hemel half verlicht. De Duitsers bliezen Gilze Rijen op. Dat was een vliegbasis. In Lage-Zwaluwe stond het station in brand, dat zagen wij ook. Dolle dinsdag (5 september 1944) moeder kwam naar beneden met een doosje met oranje, maar het duurde nog wel een maand voordat wij werden bevrijd.

    17 september 1944 kwamen er weer veel vlieg- en zweefvliegtuigen over. Het waren Engelsen die, naar wij later hoorden, naar Arnhem gingen en daar de strijd verloren.


    Op deze foto is goed te zien hoe dichtbij de kerk is gezien vanuit het huis (links). Als mijn oma eten bracht naar opa en Piet hoefde ze maar een klein stukje lopen. Waarschijnlijk kon ze dat redelijk ongezien doen omdat het zo dichtbij was. Bron: Jan Peter Jalink

    Piet zat op de vliering ondergedoken. Op een zondag na het middageten wilde hij wel even een luchtje scheppen. Joost hield hem vast en zei: "Piet doe het toch niet." Hij huilde toen Piet het toch deed. Hij was nog maar net buiten of de Duitsers namen zijn persoonsbewijs af. Hij moest om twee uur gaan werken aan de Keizersveerse brug. Zijn vader was niet thuis. Die was naar de Wilzings in Waalwijk. Wat moest ik beginnen, het stond bij mij vast, dat hij niet mocht gaan werken. Toen ben ik naar Ds. v.d. Smit gegaan om de sleutels te vragen van de kerk. Dat was een bangerd, maar ik kreeg de sleutels toch. Piet heeft zich op het orgel van de kerk verstopt. Als het donker was, ging ik hem eten brengen. Wij hadden een klopsignaal afgesproken. Zijn vader, mijn man, is toen ook ondergedoken omdat ze anders de vader meenamen. De scheepswerf van Waspik werd gebombardeerd. Verschillende mensen dood. Er stond er ook een in de kerk opgebaard en Piet zat op het orgel. Je hoorde het schieten almaar dichterbij komen en vooral in de kerk klonk het zo erg. Piet en zijn vader zaten samen op een nacht bij elkaar op het orgel. Net had ik eten gebracht, alles was buiten pikdonker. De andere dag vroegen ze mij wat voor eten ze hadden gehad. Ze waren aan 't eten, maar konden niet proeven wat het was. Ze dachten geloof ik van kool. Wat was nu het geval, het waren enkel gestampte aardappelen met niets erin. Toen ik thuiskwam zag ik dat de helft vergeten was, maar teruggaan durfde ik niet meer, omdat ze wel eens konden denken dat er onraad was. Na ongeveer een week, heeft de zoon van de koster, achter op zijn fiets, Piet weggebracht naar A.v.d. Broek in Waspik-Boven.

    Wij hadden met de fam. Van Gerwen in hun kelder, eten, drinken, kleren, dekens en kaarsen gebracht. Verder in een kussensloop nog van alles ingepakt. Ieder had zo'n volgepakt sloop. Zondagmiddag werd op het Vaartje een munitieauto in brand geschoten door de Engelsen. Toen mochten wij niet meer van de Duitsers op straat komen. Nu hadden wij ook twee onderduikers in huis namelijk een politieman met vrouw. Vader was die dag ook thuis. 's Avonds komt hij aandraven en zei: "Direkt in de kelder." Dit had juist een potje koffiesurrogaat gezet, maar dat nam ze ook mee. Wij met onze kussenslopen naar de kelder. Wij hoorden al gauw dat de Duitsers de pakken stro, die wij voor de beveiliging voor het kelderraam gelegd hadden, er vandaan hadden gehaald. Van Gerwen moest zijn voorkamer ontruimen. Daar strooiden ze de pakken uit om er de gewonden op te leggen. Dit en mijn persoon gingen eens kijken in de keuken maar moesten er weer uit, er zaten officieren in. Wij hebben de gewonden nog koffie gegeven, die Dit meegenomen had uit ons huis. Ze lagen stijf tegen elkaar aan en klaagden maar van dorst. Twee, die er erg aan toe waren, lagen op een brancard . Van de dokter mocht ik hem (een van de twee) koffie geven al had hij een verschrikkelijke buikwond. Toch was hij bij kennis en zei maar: "Danke, danke." De soldaten lagen zo maar op straat te slapen. Na mijn vraag vertelden ze dat ze in geen dagen uit de kleren waren geweest. Het schieten was niet van de lucht. Maar als je helpt, al is het je vijand, als ze gewond zijn, zijn ze onze naaste, was ik heel niet bang van al dat schieten.

    's Nachts om twee uur kwam Reek, zo heet die politieman die bij ons ondergedoken was, zeggen dat wij naar huis konden gaan om te slapen want de granaten zouden die nacht over Waspik heen gaan. Reek was al bij de Engelsen geweest, zodoende wist hij dat. Wij als eenden over straat naar ons huis. De straat lag vol met Duitse soldaten. De bedden lagen al beneden in de kamer en wij gekleed naar bed. Inderdaad hoorden wij de granaten over ons heen suizen. 's Morgens goed tien uur kwam Reek weer aangedraafd, hij zei:"Gauw in de kelder." Rond het middaguur ging ik met mijn buurvrouw uit de kelder om wat eten klaar te maken. Dat brachten wij dan in de kelder. Wij hebben in de keuken wat gegeten. Buurvrouw V. Gerwen zei:"Ik ga eerst de konijnen wat te eten geven." Ze was net weg of er vielen granaten. Wij vlogen naar de kelder. In de kelder was de stemming goed. Gerwen was borden voor de Engelsen aan het schilderen. Na 1 uur werden wij weer met granaten bedacht. Er vielen er dertig, ook boven ons was de boel kapot bij V. Gerwen. De kelderdeur vloog open, kalk en een stofwolk vloog de kelder in en alle lichten gingen uit. Het was gewoon een hel. Wij kropen op de grond en hielden elkaar stijf vast en ik dacht dit is het laatste en bad:"Heer neem ons aan."

    De kelder was erg smal, je kon er niet recht in liggen, altijd moest er een zitten en een op een bankje slapen. Vader zat meest op koffers. Nu deden de kaarsen goede diensten. Maar op een nacht stond toch een zakdoek in brand die Jan van Gerwen er tegenaan gegooid had. Ik lag net die nacht op de harde bank te slapen en van benauwdheid werd ik wakker en riep de anderen wakker. 't Vuur was toen gauw gedoofd. De kelder met mensen vergeleek ik altijd met een muizennest, zo lagen wij bij elkaar. Omdat de kelder smal was en weinig licht, zei vader op een morgen: "Waar liggen wij toch op?" Toen er licht gebracht werd toen bleek het dat wij niet op bed lagen maar er in. Wij zaten onder de vlokken. Er was nog een wc in de kelder gemaakt, die met gordijnen was afgeschoten, maar als je er op zat kwam je daar nog net met je hoofd boven uit. 't Was geen gezicht, er is erg veel gelachen. De zuster van onze buurvrouw ging altijd het laatste naar bed en die moest boven op die wc slapen omdat er verder geen plaats meer in de kelder was.
    Op een avond kwam Reek en vroeg:"Mag ik in de kelder komen, maar ik stink erg want ik heb in een beerput gezeten om dekking te zoeken." "Ja ja", riepen wij in koor, "kom maar verder". Hij was bij de ondergrondse en ging met nog iemand kruipend de kelders af, vragen of er geen gewonden waren. Toen Reek gewassen en met kleren van Van Gerwen aanliep, ging hij op klompen voor de baby van onze buren melk halen bij de boer. Zo gauw hij op straat liep, begonnen de Duitsers weer te schieten. Zo hebben wij tien dagen en nachten in de kelder doorgebracht.

    Van Piet bericht ontvangen dat ze hem gezien hadden en dat hij tolk was bij de Engelsen. Een pak van mijn hart. Toen gingen ze de vrouwen en kinderen evacueren. Wij naar huis om weer wat in te pakken, maar waarin. Haal de kinderwagen maar van de vliering en die heb ik afgeladen. Wij mochten bij C. van de Broek komen, maar daar tochtte het zo op zolder dat wij naar Klein-Dongen zij gegaan. Vader en Piet mochten niet mee. Bij een schoolhoofd waren wij in huis of liever hadden wij een kamer en slaapkamer. Die zagen ons liever gaan dan komen.

    De kanonnen stonden vlak bij opgesteld en als ze gingen schieten moesten de ramen open en nog gingen de ruiten kapot. Maar weer een zak voor gespijkerd en dat midden in de winter met ijs en sneeuw. In een potkacheltje stookten wij enkele stoffen! Zes uur lagen wij al op bed van de kou en ook omdat er geen licht was. Op een morgen, wij lagen nog in bed, hoorden wij zo'n vreemd geluid. Joost zei:"Het is een V1." Het kind had nog gelijk ook.

    Vader en Piet kwamen ons eens per week eten brengen. Mevr. Reek en ik lagen samen in een ledikant maar als mijn man kwam, moest zij eruit en als haar man kwam, moest ik eruit. Haar man kwam ongeregeld en als ik een motor hoorde, kroop ik alvast uit bed en ging bij Joop liggen in een eenpersoons ledikantje.

    1945

    Rond nieuwjaar zouden wij naar huis gaan maar daar kwam niets van omdat de Duitsers klaar stonden om weer over te steken. Toch wilde ik weg, al wilden ze ons toen houden. Meneer zei:"Wij weten nu wat wij hebben en met anderen moet je maar afwachten." Vader vond iets in 's-Gravenmoer, daar mochten wij komen. Vader en Piet mochten ook Waspik uit en voegden zich bij ons in 's-Gravenmoer. Mevr. Reek ging weer terug naar Waspik. Wij waren met zijn vijven en de fam. Kanters ook. Nu kookten we samen en betaalden ieder de helft. In dat huis woonden 20 mensen. In het souterrain acht Zeeuwen, wij met zijn vijven en hun (fam. Kanters) met zijn vijven en nog een Poolse kapitein en luitenant.

    De kanonnen stonden weer vlakbij. Twee dagen en nachten was er trommelvuur, ik dacht dat het huis zou instorten. Ook stond er in Waspik elektrisch geschut dat 32 schoten tegelijk afvuurde. Alles wat van de Duitsers aan de overkant van de Maas stond, werd kapotgeschoten.[4] De V1's begonnen veel meer te vliegen. Als wij op bed lagen, zagen wij ze aankomen. Mijn man heeft er op ťťn nacht wel 900 geteld[5] Er zijn er nogal wat gevallen in 's Gravenmoer. Een dorpje verder viel er een tussen de middag op een huis, de mensen zaten net te eten, alles dood en het was een groot gezin.

    Wij verlangden zo naar huis dat wij 20 maart 1945 weer terug gingen. Het zag er niet uit in huis want de Engelsen waren er geweest. Ze zijn weggegaan, maar ťťn bed namen ze ook mee omdat mijn vader en moeder in huis waren. Vader liep ze overal achter na, om alles weer op te vegen. Mijn ouders zijn maar drie weken weggeweest, toen kwamen ze alweer terug. Zij waren erg doof dus die hoorden niet veel van het geschut.


    In de school zag het er niet uit. In het achterste lokaal was ook een granaat gevallen. Na de oorlog zag de school er weer zo uit Bron: Jan Peter Jalink

    Al gauw kregen wij toen wij weer in Waspik waren, inkwartiering van Poolse soldaten. Daar kregen wij nogal eens eten van. Daarna Engelse soldaten, het waren beste jongens op een enkeling na. Die Poolse soldaten waren ook bevrijders. In school[6] zag het er ook niet uit. Het achterste lokaal was een granaat door gevallen. Verder waren er gewonden in geweest en nog munitie. Wij waren wel eind (maandag 30) oktober 1944 bevrijd[7] maar we lagen tot mei 1945 onder vuur van de Duitsers omdat Klein-Waspik niet bevrijd was.

    1. Onbekend wanneer ze dit geschreven heeft. Ik neem aan niet lang na de oorlog toen de herinneringen nog vers waren.
    2. Ontleend aan het familieboek: De nakomelingen van Pieter Dubbelman (1860-1919). Gepubliceerd 21 juni 1999. Opgesteld door mijn oom Piet Dubbelman.
    3. De geallieerde troepen stormden door Noord-Frankrijk en BelgiŽ op weg naar Nederland. Op zondag 3 september 1944 bevrijden ze Brussel , een dag later Antwerpen. Het einde van de bezetting lijkt nu ieder moment daar te zijn.
    4. De geallieerde opmars was bij de Bergsche Maas tot stilstand gekomen, waardoor de hele Langstraat dus ook Waspik tot de capitulatie in de frontlinie lag. Dat betekent beschietingen, maar ook een beperkte bewegingsvrijheid, want er vonden regelmatig infiltraties plaats door Duitse troepen.
    5. Veel V-1's (vliegende bommen) werden sinds half december 1944 door de Duitsers gelanceerd vanuit de Achterhoek richting Antwerpen. Daarbij passeren ze de Langstraat waar ook Waspik aan ligt. Van deze primitieve vliegtuigjes bereikten vele nooit hun doel.
    6. De christelijke lagere school in Waspik.
    7. Door de Schotten van de 51ste Highland Divisie.

    Definitielijst

    capitulatie
    Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.
    Divisie
    Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
    inkwartiering
    Het onderbrengen van soldaten bij particulieren.
    mobilisatie
    Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
    onderduiken
    Het verstoppen voor de vijand.

    Informatie

    Geplaatst door:
    Leo G. Lensen
    Geplaatst op:
    16-02-2019
    Feedback?
    Stuur het in!