Voorwoord

    In de vroege ochtenduren van vrijdag 10 mei 1940 overschreden Duitse troepen de Nederlandse grenzen. Tegelijkertijd wierpen Duitse vliegtuigen magnetische mijnen af voor de havenmonden in Hoek van Holland, IJmuiden, Den Helder en Vlissingen. Omdat de Kriegsmarine alle beschikbare schepen nodig had bij de strijd in Noorwegen (operatie WeserŁbung), waren er vrijwel geen Duitse oorlogsschepen betrokken bij Fall Gelb, zoals de Duitsers hun veldtocht in het westen aanduidden. Alleen de kleine onderzeeboten U-7, U-9 en U-13 werden achter de hand gehouden om ingezet te worden bij Fall Gelb.

    Boven Hoek van Holland verschenen bij dageraad enkele niet in verband vliegende drijvervliegtuigen, die op ongeveer 50 meter boven het wateroppervlak magnetische mijnen aan parachutes loslieten. Als gevolg van het snelle verloop van deze operatie kreeg de Nederlandse luchtafweer nauwelijks de kans de Duitse vliegtuigen onder vuur te nemen. De plaats waar de zes mijnen terecht gekomen waren, was gelukkig wel vrij nauwkeurig bepaald en vastgelegd. Ongeveer twee uren na het lanceren explodeerden, zonder duidelijke oorzaak, de twee magnetische mijnen ten zuiden van de lichtenlijn (twee of meer bakens op ťťn lijn die ter navigatie van de scheepvaart dienen). Ondertussen kon met vrij grote zekerheid worden vastgesteld dat het scheepvaartverkeer nog zonder veel risico kon plaatsvinden, indien men dicht langs de rode tonnen hield. Dit gegeven werd aan de plaatselijke loodsen medegedeeld. Omdat positiecommandant, kapitein-luitenant-ter-zee J. van Leeuwen, niet over mijnenvegers beschikte, die geschikt waren om magnetische mijnen op te ruimen, gaf hij opdracht om een stalen prauw over de vastgestelde ligplaatsen te trekken. Deze toch handige improvisatie bleef echter zonder resultaat.

    De volgende dag arriveerden twee Britse mijnenvegers die er in slaagden de twee mijnen, die in de lichtenlijn lagen, te ruimen. Tijdens de eerste oorlogsdagen werden voor zover bekend geen magnetische mijnen meer afgeworpen in de Nieuwe Waterweg, maar op 13 mei kwamen berichten binnen over het afwerpen van dergelijk wapentuig tussen Vlaardingen en Rotterdam. Laat in de middag van die dag maakten Britse mijnenvegers dan ook een veegslag in dit gebied. Bij terugkeer naar Hoek van Holland werden achter hen echter opnieuw mijnen afgeworpen door Duitse vliegtuigen. Uit binnengekomen meldingen viel op te maken dat de scheepvaart, indien krap langs de kribben (strekdammen) op de zuidelijke oever gevaren zou worden, het minste risico zou lopen.

    Te IJmuiden begon de eerste oorlogsdag op vrijwel dezelfde wijze. Daar werden rond 03:30 uur drie vijandelijke vliegtuigen waargenomen die precies in de lichtenlijn magnetische mijnen afwierpen boven de Buitenhaven. Waarschijnlijk werd ťťn van de vliegtuigen getroffen door luchtafweergeschut, want het liet een zwarte rookpluim achter en draaide naar het noorden af, terwijl later een neergestort vliegtuig werd gemeld bij Castricum. Vrijwel onmiddellijk daarna werden nog eens drie Duitse vliegtuigen ontdekt, die mijnen afwierpen waarvan er echter ťťn in onbevaarbaar water terecht kwam terwijl een andere tot ontploffing kwam tijdens de lancering. Kort daarna werden nog eens drie mijnen afgeworpen waarvan er ťťn voor de zuidersluizen terecht kwam en een volgende wat verder in oostelijke richting. Nadat de plaatsen van de gedropte mijnen zo nauwkeurig mogelijk waren vastgelegd, kon worden vastgesteld dat, indien het scheepsverkeer in de haven langs de zwarte tonnen geleid werd en buitengaats ten noorden van de lichtenlijn, deze route als veilig beschouwd kon worden. Net als in het Rotterdamse havengebied werd dit aan de loodsen medegedeeld. De commandant van de positie IJmuiden, kapitein-luitenant-ter-zee C. Hellingman, gaf onmiddellijk opdracht aan Divisie Mijnenvegers II, die bestond uit de mijnenvegers Hr. Ms. M1 t/m M4, de mijnen op te ruimen. Omdat de mijnenvegers niet beschikten over het juiste veegtuig, trokken zij een aantal malen een stalen schuit over de gelokaliseerde mijnen, maar zonder resultaat.

    Ook te Vlissingen bestonden de eerste Duitse oorlogshandelingen uit het afwerpen van magnetische mijnen. Dit gebeurde in het Oostgat, de Deurloo, de Wielingen en op de rede. Het afwerpen van de mijnen werd waargenomen door schepen op de rede, door posten van de kustwacht en de vaartuigen van de Bewakings- en Onderzoekingsdienst. Hierdoor had men ter plaatse een goed beeld van de posities waar de mijnen zich bevonden. In het Oostgat lagen de mijnen vrijwel in het midden van het vaarwater, in de Deurloo waar dit vaarwater samenkomt met het Oostgat, terwijl in de Wielingen de mijnen zich in hoofdzaak ten noorden van de tonnen bevonden waar zij geen belemmering voor de scheepvaart opleverden. Deze kennis was niet alleen belangrijk voor het scheepvaartverkeer van en naar Antwerpen, maar ook voor de Nederlandse koopvaardij- en oorlogsschepen die nog niet beschikten over een degaussing-kabel (een elektrische kabel langs de binnenwand van een schip die een magnetisch veld opwekt en zodoende het magnetisch veld van het schip zelf neutraliseert).

    Bij de mijnenlegoperaties, die in de vroege morgen van 10 mei door de Luftwaffe werden ondernomen, bleven Delfzijl en Harlingen ongemoeid. De reden hiervoor was dat de Duitsers deze havens snel in hun bezit dachten te hebben. Bovendien kon men vanuit Emden gemakkelijk beletten dat schepen uit Delfzijl zouden ontsnappen. Van Nederlandse kant werd een groot deel van de havenfaciliteiten te Delfzijl vernield. Tevens werd de sluis van het Eemskanaal versperd en onklaar gemaakt. Twee van de negen aanwezige Duitse koopvaardijschepen werden met behulp van springstofladingen tot zinken gebracht. De overige zeven bleven voor de Duitsers gespaard omdat de nog aanwezige bemanningen aan boord het onmogelijk maakten de schepen te beschieten of op te blazen. Al in de vroege morgen van 10 mei kreeg de havencommandant, luitenant-ter-zee der eerste klasse J. Aarents, bevel zich met zijn personeel terug te trekken naar Harlingen. In de nacht van 10 op 11 mei trok hij met zijn marinedetachement over de Afsluitdijk om zich te melden bij de Commandant van de Stelling Den Helder, schout-bij-nacht H. Jolles.

    Definitielijst

    Divisie
    Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
    Kriegsmarine
    Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
    Luftwaffe
    Duitse luchtmacht.
    operatie WeserŁbung
    Codenaam voor de Duitse inval in Denemarken en Noorwegen. Deze operatie, die begon op 9 april 1940, was bedoeld om Engelse acties in ScandinaviŽ te voorkomen.

    Afbeeldingen

    De Bodegraven verliet als laatste grote koopvaardijschip de haven van IJmuiden op 14 mei 1940. Bron: Kustvaartforum.
    Het stoomschip Simaloer werd op 10 mei van Vlissingen naar Londen gedirigeerd. Bron: P. Kimenai Go2War2.
    De Scheldedelta in 1940-1945. Bron: P. Kimenai Go2War2.
    De vernielde sluis in de Eemshaven te Delfzijl. Bron: Martiem Digitaal.

    Hoek van Holland en Rotterdam

    Reeds in de vroege ochtend van 10 mei was de situatie in Rotterdam ernstig. Het vliegveld Waalhaven was al spoedig bezet, evenals een groot deel van de zuidelijke stadswijken Katendrecht, Feijenoord, Charlois en het Noordereiland. Als gevolg hiervan waren de havens aan de linker Maasoever binnen vijandelijk gebied komen te liggen en kon de Nieuwe waterweg door Duitse paratroepen onder vuur worden genomen. Het was in deze vroege fase van de strijd belangrijk de aanwezige schepen zoveel mogelijk te laten vertrekken zodat zij zich naar veiligere wateren konden begeven. In overleg met de inspecteur-generaal voor de scheepvaart en de Nederlandsche Reeders Vereeniging, werd dit door de marineautoriteiten medegedeeld aan de havenmeesters.

    Aangezien Rotterdam onmiddellijk tot het daadwerkelijke oorlogsgebied behoorde en door het feit dat er zich in de Nieuwe Waterweg magnetische mijnen bevonden, kon echter vrijwel geen enkel schip meer ontkomen. Toch werden er nog enkele pogingen ondernomen. Zo werden op order van ťťn van de directeuren van de Holland Amerika Lijn (HAL) de Veendam en de Boschdijk vaargereed gemaakt. De schepen voeren echter niet uit omdat uit telefonisch contact met de havenmeester duidelijk geworden was dat er zich magnetische mijnen bevonden in de Nieuwe Waterweg, tot voor de etablissementen van de Rotterdamsche Lloyd. Het ss Vesta van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM) trachtte de Nieuwe Waterweg af te varen, maar werd bij de Poortershaven gebombardeerd door een Duits vliegtuig. Hierop keerde het stoomschip naar Rotterdam terug. De andere schepen die in de Lekhaven lagen, zoals de Orestes, de Jonge Willem en de Irene van de KNSM, bleven liggen. Het Engelse ss Rook van de General Steam Navigation Company, dat in de Merwehaven lag, vertrok in de loop van de dag, maar liep ter hoogte van Vlaardingen op een magnetische mijn en kon nog net op de zuidelijke oever worden gezet. Bij de Rotterdamsche Lloyd bestond nog het plan om het opgelegde passagiersschip Baloeran naar zee te sturen. Ook hier werd vanaf gezien in verband met het mijnengevaar.

    Die avond vertrok het Engelse stoomschip Malines van de London & North Eastern Railway naar zee. Dit schip lag in de ochtend van die 10e mei, samen met het stoomschip St. Denis van dezelfde maatschappij, in de IJsselhaven. De gezagvoerder van het eerstgenoemde schip nam het risico en bereikte veilig de Noordzee. Zijn collega van de St. Denis nam dit risico niet en liet zijn schip in de haven tot zinken brengen. Van de andere Britse koopvaardijschepen in Rotterdam verliet het motorschip Acclivity Hoek van Holland in de ochtend van 11 mei en in de namiddag verliet de Dotterel van de British & Continental Steamship Company als laatste koopvaardijschip de Nieuwe Waterweg. Daarna vertrokken alleen nog oorlogsschepen uit Rotterdam. Dit waren onder andere de torpedoboten Hr. Ms. Z 5 en Hr. Ms. TM 51, die succesvol Duitse troepen op de Rotterdamse bruggen onder vuur hadden genomen. De torpedobootjager Hr. Ms. Van Galen, die eveneens de opdracht kreeg om Duitse paratroepen in Rotterdam onder vuur te nemen, werd op de Nieuwe Waterweg zo zwaar beschadigd door Duitse bommen, dat het schip later aan de kade zonk. De nieuwe onderzeeboten Hr. Ms. O 23 en Hr. Ms. O 24, die vervroegd in dienst werden gesteld, konden wel ontkomen. De zusterschepen Hr. Ms. O 21 en Hr. Ms. O 22 waren al op 10 mei, onder begeleiding van de gevorderde sleepboot Hr. Ms. BV 37 uitgeweken naar Engeland. De zusterschepen O 25, O 26 en O 27 vielen in Duitse handen. De in aanbouw zijnde torpedobootjagers van de Gerard Callenburgh-klasse, Gerard Callenburgh en Tjerk Hiddes, werden in de Nieuwe Waterweg door marine- en werfpersoneel tot zinken gebracht. De Gerard Callenburgh werd later door de Duitsers hersteld en afgebouwd als ZerstŲrer Holland 1 (ZH 1).

    Met behulp van Britse genietroepen werden goudstaven van de Nederlandsche Bank, ter waarde van 22 miljoen gulden, aan boord gebracht van Stoomloodsvaartuig No. 19, dat door de marine ingezet werd als Hr. Ms. BV 19A. Met deze kostbare lading aan boord vertrok het vaartuig tegen 04:30 uur van de 11e mei richting Hoek van Holland om de staven af te geven aan de Britse torpedobootjager HMS Wild Swan die voor de Nieuwe Waterweg gereedlag. Onderweg liep het stoomloodsvaartuig echter op een magnetische mijn, brak in tweeŽn en zonk onmiddellijk. Hierbij kwamen dertien bemanningsleden en drie Britse militairen om het leven terwijl het goud grotendeels in Duitse handen viel.

    Tijdens de gevechten op 11 mei raakte het passagiersschip Statendam van de HAL, dat evenals het passagiersschip Veendam en het vrachtschip Boschdyk aan de Wilhelminakade lag, in brand. Als gevolg van het feit dat er geen brandweer ter plaatste kon komen, vanwege het mitrailleurvuur tussen Duitse paratroepen aan boord van de schepen en Nederlandse troepen aan de overzijde van de Maas, langs de Boompjes, brandde het schip volledig uit. Ook de Boschdyk brandde volledig uit, maar als door een wonder liep de Veendam slechts lichte schade op. De dag daarvoor was er eveneens brand uitgebroken aan boord van het ms Dinteldyk, liggende in de Rijnhaven, als gevolg van brandbommen. Door het ruim langzaam met water te vullen werd de brand grotendeels geblust waardoor het schip behouden bleef. De Duitsers hebben desondanks de Dinteldyk nooit in de vaart gebracht en het schip op 23 september 1944 als blokschip in de Nieuwe Waterweg tot zinken gebracht.

    Op 12 mei werd het ss Prinses Juliana van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland (SMZ), dat op 11 mei uit Vlissingen vertrokken was met militairen aan boord, op ongeveer zes mijl uit de kust indirect door een Duitse bom getroffen. Het schip werd in zinkende toestand bij Hoek van Holland op het strand gezet nadat het bewakingsvaartuig Hr. Ms. BV 43 een aantal militairen van boord had gehaald. Het schip brak later doormidden en werd tijdens de oorlog als schietschijf gebruikt door Duitse kustbatterijen. Diezelfde dag debarkeerden de Britse torpedobootjagers HMS Verity en HMS Venomous en de kanaalboten HMS Canterbury en Maid of Orleans 200 man van de Royal Marines en een bataljon van de Irish Guards te Hoek van Holland om de Britse vernielingsploegen te beschermen.

    Op 13 mei arriveerde Koningin Wilhelmina met haar gevolg in Hoek van Holland en ging aan boord van de Britse torpedobootjager HMS Hereward, die geŽscorteerd door HMS Vesper, het gezelschap naar Harwich bracht. Diezelfde dag was de ministerraad bijeen geweest om het uitwijken naar Engeland te bespreken. Om ongeveer 11:00 uur vertrok het bijna voltallige kabinet uit Den Haag naar Hoek van Holland. Na een laatste bespreking in de kamer van de fortcommandant werd besloten over te steken naar Engeland. De torpedobootjager HMS Windsor nam de leden van de Nederlandse regering aan boord en vertrok omstreeks 19:00 uur, later gevolgd door HMS Mohawk met 400 evacuees aan boord. De evacuatie werd voortgezet met de destroyers HMS Vivien, HMS Versatile, HMS Janus, HMS Malcolm en HMS Wessex. Nadat duidelijk was geworden dat de Nederlandse verdediging het zou moeten opgeven, nam de Britse Admiraliteit de beslissing om alle Brits militair personeel te evacueren. De torpedobootjagers HMS Keith, HMS Wivern, HMS Verity, HMS Wolsey, HMS Whitshed, HMS Winchester, HMS Westminster en HMS Vesper hadden deze opdracht in de late namiddag van 14 mei voltooid. Daarna kregen alle Britse oorlogsschepen de opdracht de Nederlandse territoriale wateren, behalve in Zeeland waar de strijd nog doorging tot 17 mei, te verlaten. Alleen HMS Keith keerde tegen 20:00 nog terug naar Hoek van Holland om vluchtelingen op te pikken. Kort na middernacht vertrok dit oorlogsschip als laatste Britse schip naar zee.

    De hulpmijnenvegers van Divisie Mijnenvegers III, Hr. Ms. Alkmaar, Hr. Ms. Azimuth, Hr. Ms. Walrus, Hr. Ms. Hollandia en Hr. Ms. Aneta, bleven in Rotterdam achter. De divisiecommandant, luitenant-ter-zee der eerste klasse W.E.F. Hazebroek, achtte het niet nodig de schepen tot zinken te brengen omdat zij volgens hem de vijand niet van nut konden zijn. De Duitsers dachten daar anders over en namen de omgebouwde trawlers op 15 mei in beslag.

    Definitielijst

    Divisie
    Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
    torpedobootjager
    (Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.

    Afbeeldingen

    Het Britse schip Dotterel vertrok uit Rotterdam en pikte in IJmuiden Franse en Britse vluchtelingen op. Bron: RHIW.
    Het gelichte casco van de torpedobootjager Tjerk Hiddes wordt voor sloop versleept. Bron: RDM.
    Het wrak van Hr. Ms. BV 19A werd in juni 1940 in twee delen gelicht. Bron: P. Kimenai Go2War2.
    De Statendam van de Holland Amerika Lijn brandde volledig uit. Bron: Kombuispraat.
    De Britse destroyer HMS Windsor bracht op 13 mei het Nederlandse kabinet naar Engeland. Bron: Naval History.

    IJmuiden en Amsterdam

    In Amsterdam waren de omstandigheden veel gunstiger dan in Rotterdam omdat er niet gevochten werd. De aanwezige schepen hebben hiervan geprofiteerd en konden vrijwel alle ontkomen. Alleen het stoomschip Calypso van de KNSM, dat in reparatie lag, bleef in de hoofdstad achter. Het schip werd in het najaar van 1941 door de Duitsers in beslag genomen en ging in Duitse dienst bij Noorwegen verloren.

    Op 10 mei kregen de havenautoriteiten in Amsterdam, van de Commandant Maritieme Middelen Amsterdam, kapitein-ter-zee N.A. Rost van Tonningen, de opdracht alle schepen gereed te laten maken voor vertrek. Nog diezelfde dag vertrokken de stoomschepen Iris en Titus van de KNSM met een lading goud van de Nederlandsche Bank met een gezamenlijke waarde van 166 miljoen gulden. De beide schepen kwamen behouden aan in Engeland. Tegelijk met de Titus schutte Hr. Ms. Jacob van Heemskerck door de Noordersluis. De afbouw van de lichte kruiser was versneld en zonder proefgevaren te hebben, ontkwam het oorlogsschip op eigen kracht naar de overzijde van de Noordzee. De Koninklijke Marine eiste de coaster Amstelstroom op om torpedo`s en munitie van Amsterdam naar Portsmouth te transporteren. Als Hr. Ms. Amstelstroom deed het schip van 19 augustus tot 24 september 1940 dienst als depotschip voor de Onderzeedienst in Dundee. Ook de coasters Jutland, Vliestroom, IJstroom, Tilly, Oranje en Doggersbank ontkwamen naar Engeland.

    In de avond van 11 mei verschenen de Britse kruisers HMS Galathea en HMS Arethusa en enkele torpedobootjagers voor IJmuiden om Prinses Juliana, Prins Bernhard en hun beide kinderen naar Engeland te brengen. De positiecommandant zond Hr. Ms. M4 naar buiten om de Britse commandant mee te delen dat het vertrek uitgesteld was totdat het koninklijke gezelschap een veilige overkomst naar IJmuiden kon worden gegarandeerd.

    De volgende dag vertrok bij dag worden het vrachtschip Sembilan van de Stoomvaart Maatschappij Nederland (SMN) nadat koortsachtig gewerkt was om een degaussingkabel te installeren. Korte tijd na het uitvaren van de Sembilan werd het schip aangevallen door een Duitse bommenwerper. De torpedoboot Hr. Ms. Z 6 werd er, samen met de sleepboten ss Nestor en ss Stentor van Bureau Wijsmuller, op uit gezonden om assistentie te verlenen. Toen later uit een radiobericht bleek dat het vrachtschip niet beschadigd was en dat een Britse torpedobootjager langszij was geweest, werden de te hulp gezonden schepen teruggeroepen.

    Diezelfde ochtend deed een Duits vliegtuig een aanval op het aan de Toeristensteiger afgemeerde ms Westland, dat opdracht had gekregen stand-by te blijven om Duitse krijgsgevangenen af te voeren. Hoewel de Duitse bommen geen doel troffen vond de positiecommandant het raadzaam het schip te laten vertrekken. Later bereikte de Westland veilig de Downs, de ankergronden tussen Dover en de Goodwin Sands, de zandbank in het Nauw van Calais. In de late middag van de 12e mei arriveerden 900 Duitse krijgsgevangenen per trein en vrachtauto in IJmuiden en werden ondergebracht in de Vischhal omdat de Westland vertrokken was. Daarom werd het passagiersschip ms Phrontis van de Nederlandsche Stoomvaart Maatschappij Oceaan (NSMO) vanuit Amsterdam naar IJmuiden gezonden. Het passagiersschip was met de krijgsgevangenen aan boord, nog maar net buiten de pieren toen het werd aangevallen door een Duitse bommenwerper. De bommen misten echter hun doel en de Phrontis leverde de gevangenen veilig af in Engeland.

    Tegen 21:30 uur stoomden de drie Britse torpedobootjagers HMS Codrington, HMS Hyperion en HMS Windsor de haven van IJmuiden binnen en namen Prinses Juliana, Prins Bernhard, hun beide kinderen Prinses Beatrix en Prinses Irene en hun gevolg aan boord. Het koninklijke gezelschap was vanuit paleis Noordeinde in Den Haag naar IJmuiden gebracht in een pantserwagen van de Nederlandsche Bank. Op 13 mei arriveerden de drie Britse torpedobootjagers veilig in Harwich waar het Nederlandse gezelschap aan land werd gebracht. Kort na het vertrek van de Britse oorlogsschepen arriveerden ongeveer 90 Franse en 350 Engelse vluchtelingen in IJmuiden die werden ingescheept aan boord van het Britse stoomschip Dotterel, dat in de namiddag voor dit doel overgekomen was uit Rotterdam. In de vroege ochtend van 13 mei vertrok het schip nadat kort daarvoor het stoomschip Boekelo van Stoomvaart Maatschappij Noordzee (SMN) was uitgevaren. Dit schip werd gevolgd door het passagiersschip Van Rensselaer en het vrachtschip Perseus, beide van de KNSM. De Van Rensselaer liep bij het varen door de Buitenhaven op een magnetische mijn. Het schip liep vervolgens met haar voorsteven op de Noorderpier en zwenkte dusdanig dat gedurende enige tijd de gehele havenuitgang geblokkeerd dreigde te worden. Uiteindelijk kwam het onfortuinlijke schip vrij van de Noorderpier en liep het aan de noordzijde van de zuiderpier aan de grond. De gezagvoerder werd op dat moment door een hartaanval getroffen en overleed op de brug van zijn schip. Om 18:00 uur liep de mijnenveger Hr. Ms. M2 ter hoogte van de Velserbrug op een magnetische mijn. Het schip zonk onmiddellijk en zeven van de vijftien bemanningsleden kwamen om het leven. Diezelfde dag vertrokken het Griekse stoomschip Thetis, het ss Bussum van de Stoomvaart Maatschappij Oostzee (SMO), de kustvaarders Iris, Argo, Volharding en Prudentia en tenslotte het passagiersschip ss Johan de Witt van de SMN veilig naar zee.

    In de vroege ochtend van 14 mei stuurde de Koninklijke Marine de gevorderde kustvaarders ms Twee Gebroeders en Mulan naar Portsmouth in Zuid-Engeland om onderdelen van de lichte kruiser Hr. Ms. Jacob van Heemskerck te brengen. De Mulan fungeerde als Hr. Ms. Mulan nog tot 28 augustus 1940 als depotschip voor de Onderzeedienst in Dundee. Rond die tijd arriveerde een Britse vernielingsploeg in IJmuiden aan boord van de torpedobootjager HMS Vesper. Deze ploeg ging eerst door naar Amsterdam om de daar nog aanwezige olievoorraden te vernietigen. In de voormiddag keerde de ploeg terug in IJmuiden en bracht in het zuidelijke toegangskanaal het ss Naaldwijk van de rederij Erhardt & Dekkers en de mijnenveger Hr. Ms. M4 tot zinken. Hierdoor werd het kanaal volledig versperd. Nadat het oude passagiersschip ss Jan Pieterszoon Coen van de SMN, dat door de marine gevorderd was als zinkschip, door de sluizen geschut was en het sluiseiland ontruimd was, werden de bewegingswerktuigen van de sluisdeuren vernield en de elektriciteitscentrale van het sluizencomplex opgeblazen.

    De vernielingsploeg gaf echter tevens opdracht aan de gezagvoerders van de sleepboten ss Nestor en ss Stentor om hun boten tot zinken te brengen terwijl deze nog nodig waren om de Jan Pieterszoon Coen te verhalen. Als gevolg hiervan kon het oude passagiersschip alleen nog verplaatst worden met de havensleepboot Atjeh van de SMN en Hr. Ms. M3, die daar eigenlijk niet voor geschikt waren. De Jan Pieterszoon Coen werd voorlopig afgemeerd bij de noordersluis in afwachting van het vertrek van de laatste schepen. Om 16:00 uur liep een trein IJmuiden binnen met 300 Duitse krijgsgevangenen. Deze werden samen met het bewakingsdetachement ingescheept aan boord van het stoomschip Texelstroom van de Hollandsche Stoomboot Maatschappij (HSM). Dit schip vertrok een uur later samen met de hulpmijnenvegers Hr. Ms. Dirkje, Hr. Ms. Claesje, Hr. Ms. Maria R. Ommering, Hr. Ms. Amsterdam en Hr. Ms. Bloemendaal. Nog later vertrok het laatste grote koopvaardijschip, het stoomschip Bodegraven van de KNSM, tegelijk met de kustvaarders Java, Wega, Friso en Fiducia.

    Tegen 21:00 uur werd het ss Jan Pieterszoon Coen losgegooid en door de Atjeh en Hr. Ms. M3 naar de havenmonding gesleept. Onderweg passeerde de sleep het gezonken geschutsplatform Hr. Ms. Batterijschip IJmuiden. Dit was het oude pantserschip Jacob van Heemskerck dat die middag door haar eigen bemanning in het Noorderkanaal tot zinken was gebracht. De sleep kwam een uur later aan tussen de havenhoofden waarna het oude passagiersschip met behulp van springladingen werd afgezonken. De kop van het schip lag op de punt van de Zuiderpier en de achtersteven richting de Noorderpier. Hierdoor bleef nog een ruimte over van ongeveer 75 meter. In dit gat werd Hr. Ms. M3 afgezonken nadat de opvarenden overgestapt waren op de Atjeh. Daarna zette de havensleepboot, met drie bemanningsleden en 70 passagiers aan boord koers naar Engeland. Dit was een hachelijke onderneming want de sleepboot was niet zeewaardig en eigenlijk slechts berekend op hooguit 25 passagiers. De volgende middag, 15 mei rond 15:00 uur, liep de havensleepboot de reddingsboot Zeemanshoop achterop, die met 49 Joodse vluchtelingen aan boord uit Scheveningen vertrokken was en met machinekamerproblemen te kampen had. De Atjeh nam de reddingsboot op sleep tot twee uur later de kolenvoorraad van de havensleepboot op dreigde te raken. Op dat moment verscheen de Britse torpedobootjager HMS Venomous op het toneel, die de passagiers van de Atjeh en de vluchtelingen van de Zeemanshoop aan boord nam. Inmiddels was tevens de hulpmijnenveger HMS Sanddown opgedoken die de beide Nederlandse scheepjes op sleep nam. Gedurende de oorlog zou de reddingsboot als Hr. Ms. Zeemanshoop fungeren als communicatievaartuig voor de Mijnendienst in Engeland.

    Tot de schepen die achterbleven in IJmuiden behoorden de twee kleinere vrachtschepen ss Eem van de Maatschappij Houtvaart en het ss Beverwijk van de rederij Erhardt & Dekkers. Beide schepen zouden als blokschip afgezonken worden, maar bij de Eem gebeurde dit niet afdoende en aan de Beverwijk kwam de vernielingsploeg niet meer toe. Beide schepen vielen in Duitse handen. Behalve de Jan Pieterszoon Coen, Hr. Ms. M3, Hr. Ms. M4 en de Naaldwijk werden als blokschip afgezonken: de sleepboten ss Annie Goedkoop, ss Elisabeth Goedkoop, ss Gloria en ss Mars, de hulpmijnenvegers Hr. Ms. Maria van Hattum en Hr. Ms. Antje en de mijnenveger Hr. Ms. M1.

    Definitielijst

    kruiser
    Snelvarend oorlogsschip van 8000-15000 ton, geschikt voor diverse taken als verkenning, verkenningsafweer en konvooibescherming.
    torpedo
    Oorlogswapen, met van een explosieve lading voorzien sigaarvormig lichaam met een voortstuwings- en besturingsmechanisme, bestemd om na lancering via het water zijn weg te zoeken naar vijandelijke schepen en deze door een onderwaterexplosie uit te schakelen.
    torpedobootjager
    (Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.

    Afbeeldingen

    Het motorschip Westland, vrachtschip met accommodatie voor 10 passagiers, 1931. Bron: Kombuispraat.
    Het ms Phrontis van de NSMO bracht uiteindelijk de Duitse krijgsgevangenen naar Engeland. Bron: Arendnet.
    De coaster Twee Gebroeders te Delfzijl na een proefvaart in 1938. Bron: Maritiem Digitaal.
    De vluchtelingen van de Zeemanshoop aan boord van HMS Venomous. Bron: Holywell House Publishing.
    De mijnenveger Hr. Ms. M1 werd als blokschip afgezonken in IJmuiden op 14 mei 1940. Bron: Wikipedia.

    Zeeland

    Op de Westerschelde begonnen al op de namiddag van 10 mei enkele Franse mijnenvegers met het vegen van de vaargeulen. Ook het traject Vlissingen-Breskens werd geveegd. Dit was voornamelijk van belang voor het troepenvervoer dat met de veerboten van de Provinciale Stoombootdienst (PSD) uitgevoerd werd, die nog niet met degaussing-kabels waren uitgerust. Gedurende de daarop volgende dagen werden nog enkele malen magnetische mijnen afgeworpen door Duitse vliegtuigen, onder andere bij Vlissingen en bij Breskens. Hierdoor vielen enkele slachtoffers. In de namiddag van 14 mei liep het bewakingsvaartuig Hr. Ms. BV 34 op een dergelijke mijn op de scheidingslijn van de Deurloo en het Oostgat. Het vaartuig zonk onmiddellijk en de gehele bemanning, op ťťn persoon na, kwam om het leven. Verder liep het nieuwe Motorloodsvaartuig No. 1 in de avond van de 15e mei, voor de haven van Breskens op een mijn en gingen die dag de Franse mijnenvegers Henri Guegan en Duquesne op de Wielingen verloren. De plaats van deze vegers werd ingenomen door de Britse mijnenlichters HMS Lichen en HMS Monarda.

    Op 10 mei lag de gehele vloot van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland (SMZ) in de haven van Vlissingen: de nieuwe ms Koningin Emma en ms Prinses Beatrix en de oudere ss Oranje Nassau (later Hr. Ms. Oranje Nassau), ss Prinses Juliana en ss Mecklenburg (later Hr. Ms. Mecklenburg). De beide motorschepen, die als eerste vaargereed waren, werden met een kernbemanning naar de rede gezonden; zij vertrokken tegen 19:00 via Cadzand en het lichtschip Wandelaer naar Engeland. Op die dag kwamen tevens een aantal schepen uit Antwerpen aan, die voor anker gingen op de rede van Vlissingen. Hiertoe behoorde onder andere het ms Delftdyk van de HAL dat onder andere een aantal passagiers en een lading goud met bestemming New York aan boord had. `s Avonds vertrok het schip richting Duinkerken waar het enkele uren later aankwam. Het ss Prins Willem van Oranje van de Maatschappij Zeetransport zette die avond koers naar Londen waar het op 13 mei behouden arriveerde. Verder kwamen uit Antwerpen het ms Prins Willem II van de Maatschappij Zeetransport en de ss Hoogkerk en Maaskerk, beide van de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaart Maatschappij (VNSM). Deze drie schepen konden hun reis zonder verdere problemen voortzetten.

    De stoomschepen Emmaplein en Willemsplein van de Scheepvaart Maatschappij Millingen, met ladingen graan onderweg van Zuid-Amerika naar Rotterdam, waren op 9 mei voor Vlissingen voor anker gegaan. Op 10 mei vertrokken de beide schepen naar Londen. Ook het stoomschip Arundo van de Maatschappij Zeevaart, dat met een lading graan uit Buenos Aires kwam en op 10 mei ten anker was gegaan bij het lichtschip Wandelaer, vertrok later op die dag naar Duinkerken waar het tegelijk met de Delftdyk arriveerde. Het stoomschip Simaloer van de SMN lag ook op 9 mei al op de rede voor Vlissingen en had als eindbestemming Amsterdam. In plaats daarvan werd het schip naar Londen gedirigeerd. Het stoomschip Stella van de KNSM uit Antwerpen met bestemming Tunis, ging in de vroege middag van de 11e mei voor anker voor de haven van Vlissingen. Die avond werd het schip door twee Duitse bommen getroffen en zonk het voor de haven. Er deden zich geen persoonlijke ongelukken voor bij deze aanval, maar de brug en de masten van de Stella waren tot jaren na de oorlog een obstakel voor het scheepsverkeer op de Westerschelde en vanuit Vlissingen.

    In de nacht van 10 op 11 mei week de kruiser Hr. Ms. Sumatra uit naar Engeland. Omdat het schip over een zwakke luchtafweerbatterij beschikte werd het door de marineleiding beter geacht het vaartuig uit te laten wijken. Om 03:45 verliet de oude kruiser de rede van Vlissingen. In de ochtend van die 11e mei, liep de Franse kanaalboot Cote d`Azur, volgeladen met gemotoriseerde eenheden en geŽscorteerd door acht Franse torpedobootjagers, de haven van Vlissingen binnen. Met behulp van de veerboten ms Oosterschelde en ms Prins Hendrik werden de troepen van het Franse schip ontscheept. Kort daarna volgde een tweede Frans transport met de Rouen en Cote d`Argent, terwijl later in de middag het derde contingent aankwam, aangevoerd met de Newhaven en het vrachtschip Pavon.

    In de middag van 12 mei werden de Duitse luchtaanvallen op Vlissingen heviger, waarschijnlijk door de aanwezigheid van de Franse versterkingen. De tot hospitaalschip omgebouwde veerboot Hr. Ms. Luctor et Emergo werd, liggende langszij de ponton van de PSD, door een bom getroffen en zonk binnen enkele minuten. Ook de veerboot Koningin Wilhelmina, die bij de werf van de Koninklijke Maatschappij De Schelde (KMS) in revisie lag, kreeg een treffer en liep ernstige brandschade op. De veerboot ms Prins Hendrik liep grote schade op aan ťťn van de stuurhuizen en kon als gevolg daarvan nog maar ťťn kant uitvaren. De hulpmijnenlegger Hr. Ms. Bulgia werd tot zinken gebracht; zusterschip Hr. Ms. Vidar viel op 18 mei in Duitse handen. Diezelfde middag vertrokken het ss Mecklenburg en het ss Oranje Nassau van de SMZ naar Engeland waar zij behouden aankwamen. Verder konden de kustvaarders Aldebaran, Alice, Atlantic, Bornrif, Eton, Jacoba, Jura, Kaap Falga, Piet Hein, Triton, Tromp, Unitas en Zeus veilig wegkomen uit Vlissingen. De Unitas zou later door de Duitsers gevorderd worden en omgebouwd worden tot Schwere Artillerie-Tršger SAT 9 Unitas.

    Van veel betekenis was de rol die de veerboten van de PSD in Zeeland speelden bij de aanvoer en later de evacuatie van Franse troepen. Zo had generaal Giraud, de opperbevelhebber van het 7e Franse leger, op 13 mei, opdracht gegeven om Zuid-Beveland te versterken. Als gevolg van deze order werden de gehele nacht van 13 op 14 mei onderdelen van de 60e divisie infanterie met veerboten van deze dienst overgebracht van Terneuzen naar Borssele en Hoedekenskerke. Om deze overtocht zo snel mogelijk te laten verlopen, was het gewenst over een zo groot mogelijk aantal veerboten te beschikken. De tot hulpmijnenlegger omgebouwde veerboten Hr. Ms. Prins Willem I en Hr. Ms. Koningin Emma, die elk veertig mijnen aan boord hadden, kregen opdracht deze mijnen te dumpen in het Sloe en zich zo spoedig mogelijk naar Terneuzen te begeven. De Koningin Emma kwam op 17 mei op de Schelde in aanvaring met een Franse torpedobootjager en werd in de haven van Breskens aan de grond gezet om te voorkomen dat het vaartuig zou zinken. De Prins Willem I werd, evenals de veerboten ms Prins Hendrik en ms Oosterschelde, door terugtrekkende Franse soldaten in brand gestoken en tot zinken gebracht. Ook de tot hospitaalschip ingerichte veerboot Hr. Ms. Schouwen werd op 17 mei door de Fransen in de havenmond van Hoofdplaat in brand gestoken, waarna het schip zonk.

    Op 15 mei werd de oude mijnenlegger Hr. Ms. Hydra van Vlissingen naar Zijpe gedirigeerd om de overgang van Duitse troepen naar Duiveland te beletten. Het schip werd door Duits mitrailleur- en pantserafweervuur zwaar beschadigd en werd aan de grond gezet in ondiep water tussen de Geul van Vianen en de Hoek van Oosterland. Diezelfde dag week de mijnenlegger Hr. Ms. Van Meerlant uit naar Falmouth, Zuid-Engeland. Rond die tijd week de kanonneerboot Hr. Ms. Flores via Zeebrugge uit naar Engeland. Het schip was eigenlijk toegewezen aan de Commandant Zeeland, schout-bij-nacht H.J. van der Stad, om artilleriesteun te geven aan de Zeeuwse stellingen van de landmacht, maar net als bij de Sumatra het geval was geweest, besliste de marine anders in verband met de te zwakke luchtafweer. Eveneens op 15 mei werd aan de Royal Navy gevraagd de terugtrekkende Franse troepen van Zuid-Beveland naar Zeeuws-Vlaanderen te beschermen tegen Duitse luchtaanvallen. De Britten zonden de twee oude destroyers HMS Valentine en HMS Whitley. Bij een Duitse luchtaanval, om 14:30, werd de Valentine getroffen door twee bommen en werd in zinkende toestand op de zuidelijke oever van de Westerschelde aan de grond gezet.

    Het vrachtschip ss St. Philipsland lag op 10 mei in Terneuzen en zou die dag naar Engeland vertrekken. Door de oorlogsomstandigheden kwam de bemanning echter te laat aan boord en op 12 mei werd het uitvaren door de Koninklijke Marine verboden in verband met de bombardementen op schepen bij Vlissingen. Op 18 mei werd het schip door de Fransen gevorderd en als blokschip tot zinken gebracht om het Kanaal van Terneuzen te versperren.

    Definitielijst

    divisie
    Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
    infanterie
    Het voetvolk van een leger (infanterist).
    kruiser
    Snelvarend oorlogsschip van 8000-15000 ton, geschikt voor diverse taken als verkenning, verkenningsafweer en konvooibescherming.
    mitrailleur
    Machinegeweer, een automatisch, zwaar snelvuurwapen.
    torpedobootjager
    (Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.

    Afbeeldingen

    Ms Delftdyk van de Holland Amerika Lijn vertrok via Duinkerken naar New York. Bron: Kustvaartforum.
    Het motorschip Maaskerk van de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaart Maatschappij kon veilig wegkomen uit Zeeland. Bron: Kustvaartforum.
    Het stoomschip Stella werd door Duitse bommen bij Vlissingen tot zinken gebracht. Bron: Nautin.
    HMS Valentine werd bij Terneuzen aan de grond gezet na twee bomtreffers. Bron: P. Kimenai Go2War2.
    De Prinses Juliana door Franse troepen in brand gestoken en tot zinken gebracht. Bron: RDM.

    Den Helder en IJsselmeer

    Omdat Den Helder geen koopvaardijhaven was, en nog steeds niet is, bestonden ter plaatse de scheepsbewegingen uit het komen en gaan van oorlogsschepen. Op 10 mei werd het IJsselmeerflottielje, dat bestond uit de oude rivierkanonneerboot Hr. Ms. Hefring, acht licht bewapende motorsleepbootjes en vanaf april de torpedoboot Hr. Ms. Z 3 en de kanonneerboot Hr. Ms. Friso, versterkt met uit de marinehaven afkomstige Hr. Ms. Brinio, een zusterschip van de Friso. Op 12 mei kwamen daar nog de stalen mijnenvegers Hr. Ms. Abraham van der Hulst en Hr. Ms. Pieter Florisz bij. Op diezelfde dag verschenen er nog drie Britse motortorpedoboten om het flottielje te versterken. De Friese IJsselmeerhavens werden versperd om de oprukkende Duitsers te beletten met gevorderde schepen het IJsselmeer over te steken. Harlingen was op 10 mei al geblokkeerd door enkele afgezonken schepen en pontonkranen. In Stavoren werd de Groningse coaster ms Cosmopoliet ter versperring tot zinken gebracht terwijl in Lemmer de sluisdeuren vernield werden, zodat de haven onbruikbaar werd. Vanuit Urk werden ongeveer 180 botters en andere vaartuigen naar Amsterdam gestuurd, waarna enkele grotere vissersschepen de overtocht naar Engeland waagden. De haven werd versperd door enkele Duitse rijnaken en drie baggerbakken af te zinken. Op 12 mei trachtten Duitse troepen zich in te schepen aan boord van de stoomveerboot C. Bosman van de dienst Enkhuizen-Stavoren. Hierop nam Hr. Ms. Friso het schip en de haven van Stavoren onder vuur waardoor deze poging verhinderd werd.

    Diezelfde middag nog werd de Friso door de Luftwaffe tot zinken gebracht. De overige schepen van het IJsselmeerflottielje, die op 14 mei nog versterking hadden gekregen van een zusterschip van de Hefring, Hr. Ms. Freyr, en het laatste zusterschip van de Friso en de Brinio, Hr. Ms. Gruno, probeerden op diezelfde dag nog te ontsnappen. Alleen de Gruno ontkwam omdat deze kanonneerboot op tijd doorgeschut werd bij Den Oever. Hr. Ms. Z 3 werd op een strekdam gezet en Hr. Ms. Brinio, Hr. Ms. Abraham van der Hulst en Hr. Ms. Pieter Florisz werden bij Enkhuizen in ondiep water tot zinken gebracht. De oude kanonneerboten Hefring en Freyr werden bij Amsterdam tot zinken gebracht terwijl de acht motorsleepboten in Duitse handen vielen. Om de haven van Enkhuizen te blokkeren werd op 14 mei het zusterschip van de C. Bosman, de ss R. van Hasselt gevorderd en tot zinken gebracht. Op 10 mei was voor dit doel het ms W.F. van der Wijck, ook een veerboot van de dienst Enkhuizen-Stavoren, in de Spoor- en Binnenhaven van Enkhuizen tot zinken gebracht.

    De oude onderzeeboten Hr. Ms. O 9 en Hr. Ms. O 10 waren na een patrouille teruggekeerd naar thuishaven Den Helder, waar de accu`s opgeladen werden en voorraden aan boord werden genomen. De volgende nacht weken de beide boten, onder begeleiding van Hr. Ms. BV 5, de door de Koninklijke Marine gevorderde sleepboot Witte Zee van L. Smit & Co. uit Rotterdam, uit naar Engeland. Het kleine smaldeel arriveerde op 15 mei behouden in Portsmouth. Zusterschip Hr. Ms. O 11 was op 6 maart aangevaren door Hr. Ms. BV 3 en bleef in reparatie achter in Den Helder.. Ook de onderzeeboot Hr. Ms. O 12 bleef in Den Helder achter waar de boot in groot onderhoud lag. Zusterschip Hr. Ms. O 13 week op 12 mei, begeleid door de stalen mijnenveger Hr. Ms. Jan van Gelder, uit naar Portsmouth. De nieuwe mijnenlegger Hr. Ms. Willem van der Zaan had, samen met Hr. Ms. Jan van Brakel, nog mijnen gelegd bij de Haaksgronden op 12 mei. De volgende dag vertrok het schip, volgeladen met reserveonderdelen en torpedo`s naar Engeland waarna de mijnenlegger op 16 mei veilig arriveerde in Portsmouth.

    Tevens deden op 14 mei een groot aantal oorlogsschepen een ontsnappingspoging uit Den Helder. Laat in de middag vertrok een konvooi, dat bestond uit de mijnenleggers Hr. Ms. Medusa, Hr. Ms. Jan van Brakel, Hr. Ms. Douwe Aukes en Hr. Ms. Nautilus en de torpedoboot Hr. Ms. G13 en aangevoerd werd door de kanonneerboot Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau, richting Engeland. De kanonneerboot werd door Duitse bommenwerpers tot zinken gebracht waarna de reddingsboot Dorus Rijkers van de Noord- en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij (NZHRM) de gewonden naar Den Helder terugbracht. De overige schepen ontkwamen, de overlevenden van de Johan Maurits van Nassau meenemend. Ook de torpedoboot Hr. Ms. G15 ontkwam naar Engeland, maar Hr. Ms. G16, die in Den Helder in reparatie lag, viel in Duitse handen. De torpedoboten Hr. Ms. Z 6 en Hr. Ms. Z 8 ontkwamen eveneens op 14 mei, terwijl zusterschip Hr. Ms. Z 7 al op 11 mei vanuit Den Helder de Noordzee overgestoken was.

    Definitielijst

    Luftwaffe
    Duitse luchtmacht.
    smaldeel
    Deel van een oorlogsvloot die zelfstandig opereert.
    torpedo
    Oorlogswapen, met van een explosieve lading voorzien sigaarvormig lichaam met een voortstuwings- en besturingsmechanisme, bestemd om na lancering via het water zijn weg te zoeken naar vijandelijke schepen en deze door een onderwaterexplosie uit te schakelen.

    Afbeeldingen

    De veerboot ss R. van Hasselt afgezonken te Enkhuizen. Bron: P.Kimenai Go2War2.
    Ook het ms W.F. van der Wijck werd in de Spoor- en Binnenhaven van Enkhuizen als blokschip afgezonken. Bron: P. Kimenai Go2War2.
    Hr. Ms. Z3 werd op 14 mei op de strekdam bij Enkhuizen gezet, vernield en in brand gestoken. Bron: Dutchfleet.
    De kanonneerboot Hr. Ms. Johan Maurits van Nassau werd op 14 mei bij Callantsoog tot zinken gebracht. Bron: Kombuispraat.
    De reddingsboot Dorus Rijkers bracht de gewonden van de Johan Maurits van Nassau veilig terug naar Den Helder. Bron: Dorus Rijkers.

    Nawoord

    Naast de in de vorige hoofdstukken vernoemde schepen ontsnapten een groot aantal kustvaarders en vissersschepen uit kleinere Nederlandse havens. Van de uitgeweken vissersschepen werden er een aantal in Groot-BrittanniŽ gevorderd en omgebouwd tot hulpmijnenveger. De uitgeweken kustvaartuigen werden ingezet in Britse wateren, vaak door hun rederij of eigenaren zelf, soms in dienst van de Royal Navy of de Koninklijke Marine. Verder ontkwamen een elftal Nederlandse bewakingsvaartuigen en het communicatievaartuig Hr. Ms. De Mok I naar Engeland. De gevorderde zeesleepboten van deze groep werden ingezet bij de Rescue Tug Section van de Royal Navy terwijl voor de meeste andere ex bewakingsvaartuigen een rol als hulpmijnenveger of sleepboot in het verschiet lag.

    De Nederlandse koopvaardijschepen, die zich op 10 mei 1940 op zee of in buitenlandse havens bevonden kregen een telegram dat als volgt luidde: "Nederland is in oorlog met Duitsland. Aan alle Nederlandse schepen bestemd voor het gehele Nederlandse rijk wordt bevel gegeven zich langs de kortste route naar een haven van ťťn der volgende landen te begeven: ArgentiniŽ, BraziliŽ, Chili, Engeland, Egypte, Panama, Frankrijk, Portugal met koloniŽn en de Verenigde Staten. Bij aankomst moet u zich in verbinding stellen met de Nederlandse consul. Bevolen wordt tijdens de reis volstrekte radiostilte in acht te nemen, doch zoveel mogelijk de ontvangststations bezet te houden. Bevolen wordt de normale scheepvaartroutes te mijden en knooppunten des nachts te passeren. Raadpleeg de Aanwijzingen van het Handboek Handelsbescherming, bladzijde 55." Daarna werd in de loop van de 10e mei nog een tweede telegram verzonden: "Alle Nederlandse schepen, bestemd voor Nederland in Europa, wordt bevolen langs de kortste route een haven van ťťn der volgende landen aan te lopen: Engeland en koloniŽn en Frankrijk en koloniŽn. Stelt u bij aankomst in verbinding met de Nederlandse consul. Bevolen wordt de Downs te mijden".

    Zo begon na de meidagen van 1940 voor alle Nederlandse schepen, koopvaardij- en oorlogsschepen, een onzekere en gevaarlijke tijd. In de volgende jaren werd het werk van de Nederlandse zeelieden bijzonder risicovol en menige zeeman heeft dit met zijn leven moeten bekopen. Bijzonder verontrustend was hierbij dat de zeevarenden jarenlang van huis waren, zonder te weten wat er in Nederland precies aan de hand was. Zowel de Koninklijke Marine als de Nederlandse koopvaardij hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de geallieerde overwinning. Dat de vaderlandse koopvaardijvloot als ťťn van de grootste en meest moderne ter wereld hier een zeer groot aandeel in had, staat buiten kijf.

    Informatie

    Artikel door:
    Peter Kimenai
    Geplaatst op:
    09-01-2015
    Laatst gewijzigd:
    12-03-2015
    Feedback?
    Stuur het in!

    Gerelateerde boeken

    Rotterdam Oorlogshaven
    De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog deel 1
    Zij vochten op de zeven zeeŽn