Leven en werk van David Cohen

    David Cohen werd op 31 december 1882 te Deventer geboren als oudste zoon van koopman, makelaar en taxateur Hartog (Herman) Cohen en Rebecca van Essen. Later zouden nog drie broers en één zus volgen. Hij doorliep in zijn geboortestad de lagere school, de Joodse godsdienstschool en het gymnasium; daarna studeerde hij klassieke talen in Leipzig, Göttingen en Leiden. Zijn grote belangstelling ging uit naar egyptologie, papyrologie en de Joodse geschiedenis. Vanaf 1910 combineerde hij zijn studie met een baan als leraar aan het Nederlands Lyceum in Den Haag. In 1912 promoveerde hij in Leiden cum laude op een proefschrift over de Joodse geschiedenis in de Hellenistische tijd. In 1922 werd hij privaatdocent aan de Rijksuniversiteit Leiden en twee jaar later aan deze universiteit bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de Hellenistische tijd. In 1926 werd hij gewoon hoogleraar in de Oude Geschiedenis en de Griekse en Romeinse Antiquiteiten aan de Gemeentelijke Universiteit Amsterdam (de huidige Universiteit van Amsterdam), een functie die hij tot 1953 zou vervullen.

    Cohen was een hoogleraar die zijn vakgebied in de volle breedte beheerste, maar meer docent dan onderzoeker was. Tot oorspronkelijk wetenschappelijk werk kwam hij weinig, zijn voorliefde ging uit naar het onderwijs. Hij verzorgde enkele belangrijke leerboeken over de klassieke oudheid en begeleidde vele promovendi. Deze klassieke oudheid was voor hem de ideale wereld, waarin het goede en schone overheerste. Hij haalde uit deze wereld zijn voorbeelden om te tonen hoe de moderne wereld vormgegeven diende te worden. Hij was bepaald geen kamergeleerde, zoals hij door sommigen ten onrechte werd genoemd, maar iemand die erg betrokken was bij de actualiteit en vol mededogen voor de onderdrukten in de samenleving.

    Cohen was zijn hele leven actief in allerlei Joodse organisaties. Zo richtte hij op zijn twintigste in Deventer een organisatie op die was aangesloten bij de Nederlandse Zionisten Bond, een vereniging die in 1899 was opgericht met als belangrijkste doel fondsen te werven om gevluchte Oost-Europese Joden een agrarische opleiding te laten volgen en naar Palestina of de Verenigde Staten te laten emigreren. In de jaren 1905-1909 was hij ook redacteur van De Joodsche Wachter, het bondsorgaan van de Nederlandse Zionisten Bond. Hij was ook lid van de Permanente Commissie van het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, bestuurslid van het Genootschap voor Joodsche Wetenschap en curator van het Nederlands Israëlitisch Seminarium. In de periode 1933-1940 was hij erg actief in de hulpverlening aan Joden die nazi-Duitsland waren ontvlucht. Vanaf 1933 besteedde Cohen een groot deel van zijn tijd aan dit humane werk, waarbij hij belangrijke internationale relaties opbouwde. Hij was in 1933 de oprichter en secretaris van de Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen, een organisatie met vele onderafdelingen met als belangrijkste het Comité voor Joodsche Vluchtelingen, waarvan hij voorzitter werd. In die beide functies werkte hij intensief samen met Abraham Asscher, waarmee hij in de jaren 1941-1943 het gezamenlijke voorzitterschap van de Joodse Raad bekleedde.

    Cohen ontwikkelde zich tot een bekwame bestuurder. Zijn kracht lag in de combinatie van diepe bewogenheid, enorm plichtsbesef, stoïcijnse afstandelijkheid en grote kalmte. Hij kreeg al snel een leidende positie in de Joodse gemeenschap in Nederland. Toen de Duitsers in 1940 ons land binnenvielen richtte hij direct een eigen Joodse organisatie op om de gevaren van de te verwachten rassenpolitiek van de bezetter te pareren. In december 1940 ontstond de Joodsche Coördinatie Commissie onder voorzitterschap van mr. L.E. Visser, de door de Duitsers ontslagen president van de Hoge Raad. Cohen werd bestuurslid en geen secretaris, daarvoor was inmiddels het verzet tegen zijn vaak autoritaire gedrag te groot geworden. De Joodsche Coördinatie Commissie was echter geen lang leven beschoren vanwege hun principiële weigering om met de Duitse bezetter te onderhandelen en hun voornemen alleen met de vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid te willen praten. Een houding die vooral werd bepaald door mr. Visser, door Cohen en Asscher werd een aanzienlijk flexibeler houding ten opzichte van de bezetter bepleit. In een schriftelijke discussie met Visser stelde Cohen diens heroïsme en beginselvastheid tegenover zijn pragmatisme en realiteitszin.

    Definitielijst

    Joodse Raad
    Tijdens de bezetting een door de Duitsers ingesteld joods bestuur, dat onder andere mee moest werken aan de deportatie van joodse Nederlanders.
    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.

    Afbeeldingen

    David Cohen, één van de twee voorzitters van de Joodse Raad Bron: Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.

    De Joodse Raad

    Het was dan ook niet verwonderlijk dat toen de Duitsers de Joodse Raad in het leven riepen, zij daarvoor de meegaande Cohen en Asscher uitnodigden de leiding op zich te nemen. De Joodse Raad was in februari 1941 door de Duitse bezetters in het leven geroepen en de beide Joodse voormannen werd gevraagd deze organisatie te leiden om de belangen van de Joodse bevolking te behartigen. In de praktijk werd Cohen de werkelijke leider van de Joodse Raad en de eindverantwoordelijke voor het orgaan van de Raad, Het Joodsche Weekblad. Medewerking aan de uitvoering van het Duitse beleid werd onontkoombaar. De realistische maar ook koppige Cohen bleef geloven in zijn tactiek met de argumenten bij elke collaboratie: “…om erger te voorkomen!” , “…in het welbegrepen eigenbelang” en “om te trachten te redden wat er te redden viel”. En dus hielp de Joodse Raad met de bekendmaking en zelfs de uitvoering van alle Duitse maatregelen. Ze nam de verkoop van de Jodenster op zich. Ze hielp met de organisatie van wat officieel de arbeidsverruiming heette maar in werkelijkheid deportatie naar Westerbork en andere kampen betekende. En ze aanvaardde in de zomer van 1943 de Duitse opdracht om zelf te selecteren welke Joden gedeporteerd moesten worden en welke nog mochten blijven. Asscher en Cohen aanvaardden de functie vanuit de oprechte overtuiging op deze manier te kunnen redden wat er te redden viel en minstens zaken zodanig te kunnen vertragen dat de Joden de tijd en gelegenheid kregen om te vluchten of onder te duiken. Aanvankelijk richtte de werkzaamheden van de Joodse Raad zich alleen op de Joden in Amsterdam, maar al snel kregen hun activiteiten een landelijk karakter. Ongewild werd de Joodse Raad een belangrijk instrument in de deportatie van de Joodse Nederlanders. Na de oorlog werd beide voorzitters hun betrokkenheid bij de Joodse Raad dan ook zwaar aangerekend.

    In september 1943 behoorden Cohen en Asscher tot de laatste groep Joden die werd weggevoerd. Via Westerbork gingen Cohen, zijn vrouw Corrie Cohen-Slijper en Cohens ‘levenslange vriendin’ Sophie Tal (Cohen had een zeer hechte band met deze weduwe met drie kinderen, wat de oorzaak was van veel spanningen in het gezin Cohen) naar het concentratiekamp Theresienstadt. Abraham Asscher werd gedeporteerd naar concentratiekamp Bergen-Belsen. Ze overleefden allen de oorlog en keerden terug naar Amsterdam. Daar moesten ze over hun werkzaamheden voor de Joodse Raad verantwoording afleggen aan de Joodse Ereraad, een orgaan dat in januari-februari 1946 van start ging ten behoeve van de zuivering in Joodse kring. Beide hoofdrolspelers van de Joodse Raad werd het verboden ooit nog een functie te bekleden binnen de Joodse gemeenschap. Beiden zouden dan ook de resterende jaren van hun leven verbitterd zijn over het in hun ogen zware en onrechtvaardige oordeel dat over hun werk werd geveld.

    Definitielijst

    collaboratie
    Medewerking vanuit de bevolking aan de bezetters, meer in het algemeen samenwerking verleend aan de vijand door zogeheten collaborateurs.
    Jodenster
    Davidster op een gele ondergrond die in Nazi-Duitsland en de bezette gebieden tijdens WO II door de Joden moest worden gedragen.
    Joodse Raad
    Tijdens de bezetting een door de Duitsers ingesteld joods bestuur, dat onder andere mee moest werken aan de deportatie van joodse Nederlanders.
    Theresienstadt
    Stad in Tsjechië, hier hadden de nazi's een modelconcentratiekamp ingericht.

    Afbeeldingen

    Voorste rij: A. Asscher (voorzitter), D. Cohen (voorzitter), A. de Hoop (voorzitter Nederlandse Bioscoopbond, directeur Tuschinsky), H. Voet (voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantwerkersbond), A. van den Bergh (notaris), Ph. Frank (opperrabbijn, vertegenwoordiger provincie Noord-Holland), D. Sluijs (secretaris Joodse Gemeente), mr. S. van Lier (gemeentesecretaris Amsterdam), A. Gomperts (advocaat), A. Mendes da Costa (secretaris Portugees-Israelitisch Gemeente).Achterste rij: Meijer de Vries (algemeen adviseur), A. van de Laan (algemeen secretaris), J. Brandon (secretaris), onbekend, onbekend, A. Soep (diamantair), J. Arons (arts), J. Brahn (voorzitter Beirat voor niet-Nederlandse Joden), A. Kouwer (accountant), I. de Haan (onbekend), prof. Dr. L. Palach (hoogleraar Universiteit Amsterdam).

    De Joodse Ereraad

    Het doel van de Ereraad was een uitspraak te doen over elke Jood wiens houding en gedrag tijdens de bezetting onverenigbaar was met de meest elementaire Joodse solidariteit. Deze Ereraad had geen sanctiemiddelen en kon alleen maar haar oordelen in de publiciteit brengen. De Ereraad behandelde een kleine twintig zaken, maar die van de Joodse Raad was daarvan verreweg de belangrijkste. De machteloosheid van de Raad werd het duidelijkst geïllustreerd door de simpele weigering van Abraham Asscher om in te gaan op de uitnodiging om voor de Ereraad te getuigen. Cohen deed dat wel. De Ereraad kwam na afloop van haar zittingen tot het volgende eindoordeel:

    • de voorzitters van de Joodse Raad hadden gefaald in een wereld die zelf in gebreke is gebleven;
    • het is laakbaar geweest, de opdracht van de Duitse bezetters te aanvaarden om te komen tot de vorming van een ‘Amsterdamse Jodenraad’ en het voorzitterschap van deze Raad te bekleden;
    • het is laakbaar geweest, het Joodsche Weekblad te blijven uitgeven toen eenmaal bleek dat het de Duitsers van meer nut dan de Joden moest zijn, waarbij de Ereraad tevens herinnert aan zijn afkeurend oordeel over een aantal berichten in het weekblad;
    • het is laakbaar geweest, medewerking te verlenen aan een aantal anti-Joodse maatregelen (Anti-Joodse maatregelen in Nederland), zoals het uitgeven van de Jodenster en het verzenden van bevelen om naar Westerbork te vertrekken;
    • de wijze waarop de voorzitters personen aanschreven die weigerden te voldoen aan de verplichtingen volgens de Eerste LiRo-verordening d.d. 8 augustus 1941 is laakbaar geweest. In deze verordening werd bepaald dat Joden verplicht waren hun banktegoeden van meer dan duizend gulden (plusminus 450 euro) over te maken naar de Lippmann-Rosenthal Bank, een voormalige Joodse bank die door de Duitsers is overgenomen.
    • de medewerking bij de selectie voor deportatie, in het bijzonder de medewerking in mei 1943, is zeer laakbaar geweest.

    De Joodse Ereraad verbood Cohen en Asscher ooit nog een functie binnen de Joodse gemeenschap te vervullen, wat gezien zijn levenslange hulp aan Joodse vluchtelingen en functies binnen allerlei Joodse organisaties voor Cohen een zware straf moet zijn geweest. Ook voor Asscher was de uitspraak een vernietigend oordeel over zijn betrokkenheid.

    Ook de overheid trad op. Op 6 november 1947 werden de beide voorzitters van de Joodse Raad op last van N.J.C. Sikkel, procureur-fiscaal van het Bijzonder Gerechtshof te Amsterdam, gearresteerd en opgesloten in het Huis van Bewaring. Zij waren door Sikkel in voorlopige hechtenis genomen, omdat ze beschuldigd werden van “niet meer te pardonneren medewerking aan de vijand, waardoor de Joodse deportatie in belangrijke mate werd vergemakkelijkt”. Een maand later werden de beide verdachten echter, in afwachting van een eventuele berechting, weer in vrijheid geteld. Tot een proces kwam het niet meer en in 1951 werd op gronden ontleend aan het algemeen belang van strafvervolging afgezien. De discussie over de schuldvraag zal door de historici ongetwijfeld worden voortgezet zonder ooit tot een definitieve uitspraak te kunnen leiden. De grenzen tussen zuiverheid en verantwoordelijkheid zijn daarvoor te moeilijk te trekken, zeker in een tijd van grote crisis zoals de situatie die Cohen en Asscher moesten doormaken.

    Cohen keerde wel terug in zijn functie van hoogleraar aan de universiteit, tot hij in 1953 met pensioen ging. De resterende jaren leefde hij teruggetrokken, een gebroken man vol schuldgevoelens over de manier waarop zaken waren gelopen en de rol die hij in dat grote Joodse drama had gespeeld, maar die tegelijkertijd toch vasthield aan zijn overtuiging dat de Joodse Raad ondanks alles nuttig werk had verricht en velen het leven had gered.

    Cohen overleed in Amsterdam op 3 september 1967. David Cohen was de vader van de bouwkundige Herman Cohen (1914 - 2005), die van 1939 tot 1967 hielp bij de opbouw van de staat Israel en die dat trachtte te doen in harmonie met de Engelse heersers en de oorspronkelijke Palestijnse bevolking. Een van zijn kleinkinderen is PvdA-politicus Rob Oudkerk.

    Definitielijst

    Jodenster
    Davidster op een gele ondergrond die in Nazi-Duitsland en de bezette gebieden tijdens WO II door de Joden moest worden gedragen.
    Joodse Raad
    Tijdens de bezetting een door de Duitsers ingesteld joods bestuur, dat onder andere mee moest werken aan de deportatie van joodse Nederlanders.

    Oordeel over de Joodse Raad

    Door vele deskundigen en direct betrokkenen is erop gewezen dat het oordeel over het functioneren van de Joodse Raad afhankelijk is van een paar belangrijke vragen. Op de eerste plaats is er de vraag welke verwachtingen men in de jaren 1941-1942 had over de duur van de oorlog. Voor de meeste Nederlanders en zeker voor de Joodse bevolking was het toen ondenkbaar dat de oorlog nog drie jaar zou duren. Er was een breed optimisme dat het redelijk snel afgelopen zou zijn en dat maakt het argument erg valide dat tijdrekken belangrijk was. Er is dan ook wel betoogd dat, indien de oorlog echt in 1943 zou zijn beëindigd, Cohen waarschijnlijk enorm zou zijn gehuldigd voor zijn inspanningen. Een argument dat Cohen natuurlijk tot zijn eigen verdediging ook aanvoerde. Op de tweede plaats is er de steeds aanwezige vraag hoeveel de Joodse leiders en in wezen alle geallieerde leiders wisten over de Holocaust die al volop aan de gang was. Cohen week bepaald niet af van de gemiddelde persoon in de Joodse gemeenschap die zich amper kon voorstellen dat de beschaafde Duitse bevolking een massale vernietiging van de Joodse bevolking daadwerkelijk zou uitvoeren. Alle signalen waren er ruimschoots, maar de grote meerderheid weigerde ze simpelweg voor waar aan te nemen.

    Niemand heeft ooit de integriteit van Cohen in twijfel getrokken. Gezien zijn diepe gevoel van solidariteit met het Joodse volk, zijn levenslange en belangeloze inzet vanaf zijn jeugdjaren en zijn tomeloze inzet binnen een groot scala van maatschappelijke en religieuze organisaties, zou dat ook erg onlogisch zijn. Toch heeft zijn houding hem bittere vijandschap en harde verwijten opgeleverd. Waarbij hem eigenbelang werd toegedicht, of anders toch wel minstens klassebelang omdat hij het Joodse proletariaat zou hebben opgeofferd aan de belangen van de Joodse elite. Dit laatste zou dan worden veroorzaakt door het feit dat Cohen te veel de representant was van een burgerlijke elite, “een regent uit vervlogen tijden, met te veel afstand tot het volk dat hij zegde zo lief te hebben. Hij geloofde te veel in voorbije waarden als gezag en fatsoen en kon als gezagsgetrouwe man het Duitse gezag onvoldoende trotseren. Hij behield zijn burgerlijke fatsoen in een milieu waar het hoogste fatsoen Befehl ist Befehl was geworden” of met een andere treffende omschrijving van de psychiater Herman Musaph: “een muis in de bek van een leeuw, die de leeuw wijst op de muizentraditie”.

    Een erg waardevolle beschrijving kwam van de econoom en politicus Sam de Wolff, een overtuigd zionist en marxist, die al direct bij de oprichting zware kritiek had geuit op de Joodse Raad, maar de grootheid had om in een artikel van 11 november 1947 in het weekblad De Vlam het volgende oordeel te geven over de beide voorzitters van de Joodse Raad: “Er zijn geloof ik weinig Joden in Nederland geweest, die zulk een scherpe veroordeling van de tactiek van Asscher en Cohen publiekelijk hebben uitgesproken als schrijver dezes. Maar om Asscher en Cohen thans voor de Nederlandse rechter te brengen, is geen recht, maar onrecht. En juist de scherpe bewoordingen, waarin ik hun optreden in de jaren der bezetting 1940-1943 als verderfelijk beoordeelde, sluiten tevens het bewijs in zich van de onrechtmatigheid, hun daden door de Nederlandse strafrechters te laten beoordelen. Want onjuist is het, dat zij 'collaborateurs' zijn geweest."

    De Wolff concludeert vervolgens dat er simpelweg geen andere organisatie meer was om voor de Joden op te komen en “… daarom moest de Joodse Raad in al zijn lelijkheid ontstaan,” waarna hij besluit met: “Voor de collectieve 'schuld' mogen Asscher en Cohen niet veroordeeld worden. Over de speciaal Joodse schuld kan de Nederlandse strafrechter niet oordelen. Dit oordeel mag alleen door het Joodse volk worden geveld. En ik geloof, dat het oudste volk der historie geen straf oordeel meer zal verlangen over hen, wier vreselijk falen door de geschiedenis is berecht. Jegens die twee, door de historie berechten, spreekt dit volk schijnbaar het zachtste, maar objectief het pijnlijkste antwoord: Wij richten niet.”

    Definitielijst

    Holocaust
    Aanduiding voor de vernietiging van het Europese Jodendom door de nazi's. Holokauston is de Griekse benaming voor een geheel verbrande offergave.
    Joodse Raad
    Tijdens de bezetting een door de Duitsers ingesteld joods bestuur, dat onder andere mee moest werken aan de deportatie van joodse Nederlanders.

    Informatie

    Artikel door:
    Frans van den Muijsenberg
    Geplaatst op:
    04-05-2010
    Laatst gewijzigd:
    07-05-2010
    Feedback?
    Stuur het in!

    Gerelateerde boeken